Parlementaire vraag nr. 176 van de heer Christian Leysen van 13.01.2021

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2020-2021, QRVA 55/037 d.d. 03.02.2021, blz. 76

Carry back en uitkering dividend.

VRAAG (van de heer Leysen)

Deze vraag betreft de toepassing van de regelgeving, opgenomen in de wet van 23 juni 2020 houdende fiscale bepalingen ter bevordering van de liquiditeit en solvabiliteit van ondernemingen in het kader van de bestrijding van de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie.

Samengevat maakt deze wet het voor vennootschappen mogelijk om (een deel van) hun fiscaal verlies, geleden in boekjaar 2020, ten laste te leggen van een positief fiscaal resultaat van boekjaar 2019.

Daartoe wordt er in de aangifte over boekjaar 2019 onder meer een vrijgestelde reserve opgenomen.

Het voordeel van deze maatregel wordt luidens het nieuw ingevoerde artikel 194septies/1, § 3, 1e lid wetboek inkomstenbelastingen niet verleend aan "... de vennootschappen die tijdens de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van de indiening van de aangifte verbonden met het aanslagjaar 2021 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, ..." hebben verricht.

In tegenstelling tot het begrip "toekenning", dat een van de oorzaken is van de verschuldigdheid van roerende voorheffing, is het begrip "uitkering" van een dividend niet gedefinieerd.

Kunt u de draagwijdte van het begrip "uitkering" uitleggen, zoals het is opgenomen in artikel 194septies/1?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

De door u bedoelde maatregel beoogt de solvabiliteitspositie en het eigen vermogen te verbeteren van de vennootschappen die als gevolg van de COVID-19-pandemie in moeilijkheden zijn gekomen zodat die tijdelijke vrijstelling niet van toepassing is wanneer middelen aan de vennootschap worden onttrokken ter uitkering aan haar aandeelhouders.

In dat verband is inderdaad inzonderheid voorzien dat die maatregel niet kan worden toegepast door een vennootschap die dividenden toekent of uitkeert in de loop van de periode van 12 maart 2020 tot en met de dag van de indiening van de aangifte verbonden met het aanslagjaar 2021.

Gelet op de doelstelling van de wetgever worden daarmee de dividenden bedoeld die in die periode worden toegekend of betaalbaar gesteld.

Omdat het de bedoeling is om slechts steun toe te kennen aan vennootschappen die gedurende die periode geen beslissingen hebben genomen die ongunstige gevolgen hebben op hun eigen vermogen en bijgevolg op hun solvabiliteit, kan er niet worden uitgesloten dat artikel 344 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van toepassing is wanneer de beslissingen van de vennootschap tot gevolg hebben dat zij zich buiten het toepassingsgebied van de uitsluiting zou plaatsen door bijv. de effectieve uitbetalingsdatum te verschuiven.