Parlementaire vraag nr. 1334 van de heer Wouter Vermeersch van 02.02.2023
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2022-2023, QRVA 55/110 d.d. 28.04.2023, blz. 124
VVPRbis-regeling bij gewone belastingvrije splitsing
VRAAG (van de heer Vermeersch)
Stel, bvba A is opgericht tussen 1 juli 2013 en 30 april 2019, met 18.600,00 euro kapitaal waarvan 6.200,00 euro werd volstort. Alle voorwaarden voor VVPRbis (artikel 269, § 2 WIB 1992) zijn voldaan op de volstortingsverplichting na.
De bvba A wordt belastingvrij gesplitst in twee nieuwe vennootschappen B en C.
In de akte wordt niks gezegd over de niet-volstorte 12.400,00 euro. Er wordt bij elke vennootschap B en C 3.100,00 euro als inbreng gekwalificeerd. Naar aanleiding van de belastingvrije splitsing worden de aandelen A omgeruild tegen aandelen uitgegeven door B en C. Voor het overige worden ook de opgebouwde reserves en de overgedragen winsten verdeeld overgedragen naar de twee nieuwe vennootschappen.
1. Komen de nieuwe vennootschappen B en C in aanmerking voor de VVPRbis-regeling?
Hypothese 1: belastingvrije splitsing is gebeurd vóór 15 december 2021.
Moet men in die hypothese concluderen dat er de facto een vrijstelling van volstortingsverplichting heeft plaatsgevonden? En is bijgevolg de overgangsbepaling van artikel 269, § 2, lid 12 WIB92 van toepassing om te kwalificeren als VVPRbis? Moeten B en C dan bijgevolg hun inbreng vóór 31 december 2022 verhogen tot 9.300,00 euro om als VVPRbis te kwalificeren?
Of moet men louter kijken naar het feit dat er twee nieuwe vennootschappen B en C zijn ontstaan waarbij de onderschreven sommen van die twee nieuwe vennootschappen bij de inbreng volledig volstort zijn en er dus eigenlijk niet meer moet gekeken worden naar de niet volstorte som van de vennootschap A die werd gesplitst.
Hypothese 2: belastingvrije splitsing is gebeurd vanaf 15 december 2021.
Moet men in die hypothese concluderen dat er de facto een vrijstelling van volstortingsverplichting heeft plaatsgevonden die niet valt onder de overgangsbepaling van artikel 269, § 2, lid 12 WIB92 en er bijgevolg niet voldaan is aan de volstortingsverplichting en er dus geen sprake is van VVPRbis bij B en C.
Of moet men louter kijken naar het feit dat er twee nieuwe vennootschappen zijn ontstaan waarbij de onderschreven sommen van die twee nieuwe vennootschappen bij de inbreng volledig volstort zijn en er dus eigenlijk niet meer moet gekeken worden naar de niet-volstorte som van de vennootschap die werd gesplitst?
2. Wanneer de vennootschappen B en C in bovenvermelde hypotheses in aanmerking komen voor de VVPRbis-regeling, vanaf wanneer wordt de wachttermijn voor tarief van 15 % roerende voorheffing berekend? Te tellen vanaf de splitsing van de vennootschap (en de oprichting van B en C) of te tellen vanaf de oprichting van A?
ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale loterij)
Uw vraag komt erop neer de draagwijdte te beoordelen van artikel 269, § 2, zesde lid, WIB 92.
Deze bepaling heeft in tegenstelling tot andere bepalingen inzake fiscale neutraliteit, een specifiek afgebakend toepassingsgebied. Letterlijk, heeft deze bepaling enkel betrekking op herstructureringsverrichtingen bij de aandeelhouders van de betreffende vennootschap en niet op herstructureringsverrichtingen van de betreffende vennootschap zelf. Een gelijkaardig probleem stelde zich destijds ook reeds bij de oude VVPR-regeling. Ik heb mijn administratie de opdracht gegeven om de omvang van de door artikel 269, § 2, zesde lid, WIB 92 ingevoerde fiscale neutraliteit te onderzoeken en na te gaan of een wetgevend initiatief aangewezen is om het VVPRbis-regime meer in lijn te brengen met de bedoeling van de wetgever.
