Parlementaire vraag nr. 58 van de heer Reynders van 28.08.1995

VRAAG 95/058
Bull. nr. 760, blz. 893
Aangifte in de rechtspersonenbelasting - Bijlagen van de aangifte - Verificatie van de aangifte - Vraag om inlichtingen - Vraag om inlichtingen aan derden
VRAAG
Artikel 307, § 3, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen WIB 92 luidt als volgt : "De bescheiden, opgaven en inlichtingen waarvan de overlegging in het formulier wordt gevraagd, vormen een integrerend deel van de aangifte en moeten worden bijgevoegd."
De administratieve commentaar op het WIB (307/12) bepaalt dat : "Om elke betwisting te vermijden in verband met de wettelijkheid van de eisen van de administratie inzake overlegging, als bijlage aan het aangifteformulier, van bescheiden, opgaven en inlichtingen die nodig worden - of zullen worden - geacht in het stadium van de aanslagregeling, artikel 307, § 3. eerste lid, WIB 92 preciseert dat de bijlagen, waarvan de overlegging in het formulier wordt gevraagd, een integrerend deel vormen van de aangifte en moeten worden bijgevoegd.
Dat betekent echter geenszins dat de aangifte zonder meer als ongeldig mag worden beschouwd wanneer een of meer in het formulier gevraagde bescheiden, opgaven en inlichtingen ontbreken.
Krachtens artikel 351, eerste lid, tweede gedachtenstreepje van het WIB 92 wordt de aangifte immers slechts als ongeldig beschouwd indien de belastingplichtige binnen de termijn die hem daartoe is gegeven, de vormfouten niet heeft hersteld. Het verzoek tot regularisatie gebeurt met een bericht 322 C."
Voor de aangifteformulieren 276.1 en 276.2 wordt evenwel een uitzondering gemaakt; de meeste bescheiden, opgaven en inlichtingen met betrekking tot die formulieren worden immers niet in de aangifte zelf vernoemd, maar in een bijgevoegde administratieve voorlichtingsnota (toelichting).
Het administratief commentaar maakt nog wel de volgende restrictie (307/15) : "Hoewel de overlegging van bijlagen een essentieel voorschrift is om de administratie in staat te stellen de aangiften in de inkomstenbelastingen op een snelle en doelmatige wijze te controleren, moeten de eisen van de administratie op dit stuk worden beperkt tot een strikt minimum dat strookt met het nagestreefde doel en zonder de taak van de belastingplichtigen op het stuk van aangifte merkelijk te verzwaren; bovendien moet ervoor worden gezorgd - voor zover zulks mogelijk is - dat de bijlagen waarvan om overlegging in het aangifteformulier in de inkomstenbelastingen wordt gevraagd, niet dezelfde zijn als die welke reeds zouden zijn - of moeten zijn - overgelegd ter uitvoering van een andere fiscale verplichting (bijvoorbeeld aan de BTW-diensten)".
Naar verluidt zouden echter nogal wat hoofdcontroleurs bij het aangifteformulier in de rechtspersonenbelasting een nota voegen waarin de belastingplichtige gemeld wordt dat hij gehouden is het aangifteformulier samen met een aantal bijlagen in te sturen. Sommigen voegen er zelfs aan toe dat de aangifte zonder die bescheiden "ongeldig" is en dat de belastingplichtige derhalve bestraft zal worden met een administratieve boete. De geëiste bijlagen variëren naargelang van de controleur, maar naast de overlegging van de in het formulier zelf gevraagde bescheiden en opgaven kan het bijvoorbeeld gaan om de bekendmaking van de identiteit van de mensen aan wie de vzw huurgelden betaalt of van de voorzitters, secretarissen en penningmeesters van de rechtspersoon, en zelfs om de overlegging van een kopie van de eventuele opgaven 325.10 of 325.50.
1.
Op welke wettelijke basis stoelen die praktijken ?
2. Hoe controleert de minister van Financiën die nota's die zijn administratie de betrokken belastingplichtigen toestuurt ?
ANTWOORD
Het geacht lid beoogt blijkbaar concrete gevallen.
Indien mij de identiteit van de beoogde aanslagdiensten wordt kenbaar gemaakt, zal ik een onderzoek doen instellen naar de wettelijkheid van de in zijn vraag bedoelde praktijk.
Nu reeds wil ik het geacht lid erop wijzen dat artikel 316 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de administratie het recht verleent om van elke belastingplichtige schriftelijk alle inlichtingen te vorderen met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand en dat, volgens artikel 317 van hetzelfde wetboek, de aldus ingewonnen inlichtingen eveneens kunnen worden aangewend met het oog op de taxatie van derden.