Parlementaire vraag nr. 332 van de heer Dieter Vanbesien van 28.04.2020
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2019-2020, QRVA 55/019, d.d. 27.05.2020, blz. 170
Betalingen aan belastingparadijzen.
VRAAG
Uit artikel 307, § 1/2, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (WIB) vloeit voor bepaalde belastingplichtigen de verplichting voort om ter gelegenheid van het indienen van de jaarlijkse belastingaangifte ook aangifte te doen van betalingen van minstens 100.000 euro die tijdens het belastbaar tijdperk rechtstreeks of onrechtstreeks werden gedaan aan personen of vaste inrichtingen gevestigd in een staat zonder belasting of met een zeer lage belasting, hetzij in een staat die door het Mondiaal Forum werd aangemerkt als weinig coöperatief bij het uitwisselen van fiscale gegevens, zeg maar: belastingparadijzen. De lijst van staten zonder of met een lage belasting is opgenomen in artikel 179 van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het WIB.
Uit cijfers die de krant De Tijd opvroeg bij de FOD Financiën bleek dat voor het aanslagjaar 2019 de fiscus op die manier gegevens kreeg over maar liefst 172,3 miljard euro aan betalingen naar belastingparadijzen, van in totaal 790 vennootschappen en andere rechtspersonen. De top vijf bestemmingen waren de Verenigde Arabische Emiraten, Oezbekistan, de Kaaimaneilanden, Bermuda en Turkmenistan.
1. Uw voorganger verklaarde in november 2015 dat een opsplitsing per staat niet mogelijk was, omdat er geen afzonderlijke statistieken ter zake werden bijgehouden en het opstellen van dergelijke statistieken een te grote inzet van mensen en middelen zou vergen. Voor het aanslagjaar 2019 bleek dit al wel mogelijk voor 82 % van de aangegeven bedragen, terwijl voor de overige 18 % (30 miljard euro) het niet mogelijk was om de gegevens te koppelen aan een welbepaald belastingparadijs omdat de gegevens niet gedigitaliseerd zijn of niet op een eenvoudige wijze verwerkt kunnen worden.
a) Hoe kan gecontroleerd worden of de transacties legitiem zijn, wanneer de gegevens niet aan een bepaald belastingparadijs gekoppeld kunnen worden? De cel Belastingparadijzen voert immers een risicobeoordeling uit op de basis van een aantal indicatoren, nadat alle transacties zijn samengebracht in één document. Zonder koppeling van een transactie aan de doelstaat, lijkt het moeilijk om deze indicatoren grondig te evalueren.
b) Wat is sinds 2011 de jaarlijkse evolutie van het percentage aangegeven bedragen dat men kan koppelen aan een welbepaald belastingparadijs?
c) Welke stappen in digitalisering moeten er nog gezet worden om dit percentage op 100 % te brengen?
d) Wordt er met een concreet richtjaar gewerkt waartegen men al deze betalingen eenvoudig kan verwerken en koppelen aan een belastingparadijs?
2. Gelet op het feit dat geldoverdrachten uitgevoerd door de in België gevestigde kredietinstellingen bedoeld in de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, naar aanleiding van de betalingsopdrachten gegeven door hun rekeninghouders, in hoofde van deze kredietinstellingen niet worden geviseerd, net zoals in hoofde van kredietinstellingen, van erkende en in België gevestigde beursvennootschappen, verrekenings- en vereffeningsinstellingen, de betalingen aan buitenlandse vennootschappen bedoeld in artikel 261, vierde lid, WIB 92 niet worden geviseerd voor zover deze instellingen de betaling uitsluitend als tussenpersoon uitvoeren.
a) Hoe maakt uw administratie het onderscheid tussen betalingsopdrachten die in opdracht van rekeninghouders of als tussenpersoon plaatsvinden, en betalingsopdrachten die voor eigen rekening en/of op eigen initiatief gebeuren?
b) Zou het niet aan te bevelen zijn voornoemde betalingen ook te viseren, om zo een vollediger beeld te verkrijgen en eventueel "dubbele" aangiftes die zowel door rekeninghouders en opdrachtgevers enerzijds, als door de uitvoerende kredietinstellingen, beursvennootschappen, verrekenings- en vereffeningsinstellingen anderzijds zijn aangegeven te gebruiken om de correctheid van de verkregen informatie te controleren?
3. Hoe controleert uw administratie of voor betalingen aan verkrijgers in niet-geviseerde landen, de juridische verkrijger van de betaling niet slechts een tussenpersoon is en de werkelijke verkrijger van de betaling wel degelijk in een geviseerde Staat gevestigd is, waardoor de aangifte volgens artikel 307, § 1/2 WIB 92 onrechtmatig ontweken is?
a) Hoeveel van dergelijke gevallen werden sinds 2011 ontdekt?
b) Hoe groot is het niet-aangegeven bedrag van al deze gevallen samen?
c) Hoe groot is het bedrag dat sinds 2011 als "verworpen uitgaven" werd beschouwd door een incorrect of onterecht niet-ingediend formulier 275F?
4. Hoe en via welke weg controleert uw administratie de juistheid van de elementen aangereikt door de belastingplichtige om in het kader van formulier 275F aan te tonen dat de bestemmeling van de betalingen geen "artificiële constructie" is voor de volgende landen: Verenigde Arabische Emiraten, Oezbekistan, Kaaimaneilanden, Bermuda en Turkmenistan?
5. Hoe en via welke weg controleert uw administratie de juistheid van de elementen aangereikt door de belastingplichtige om in het kader van formulier 275F aan te tonen dat de verrichtingen "werkelijk en oprecht" zijn, en dit voor dezelfde landen als in punt 4?
6. Hoe en via welke weg controleert uw administratie de marktconformheid van de betalingen aangegeven door de belastingplichtige in het kader van formulier 275F, en meer bepaald of deze betalingen niet leiden tot abnormale of goedgunstige voordelen, en dit voor betalingen aan verkrijgers in dezelfde landen als in punt 4?
ANTWOORD
1. a) Vooreerst wens ik erop te wijzen dat de legitimiteit van een verrichting niet samenhangt met het land van bestemming. De wet schrijft voor dat aan een dubbele voorwaarde dient te worden voldaan: ten eerste moet de verrichting werkelijk en oprecht zijn, en ten tweede mag ze niet met een artificiële constructie worden gedaan. Nu is het zo dat sommige ondernemingen het formulier 275F niet volledig invullen. Het komt voor dat enkel een totaalbedrag wordt ingevuld, en voor de verdere details verwijst men naar een aparte bijlage. Wanneer dit gebeurt, kan enkel het totaalbedrag opgenomen worden in de statistieken, zonder dat de onderliggende verrichtingen in verband kunnen gebracht worden met bepaalde landen. De nadere details van die verrichtingen zijn doorgaans wel degelijk in een aparte bijlage beschikbaar zijn voor verificatie door de controlerende ambtenaar, hoewel ze dus niet zichtbaar zijn in de statistiek.
b) Hierna volgt een overzicht, per aanslagjaar, van de betalingen die op basis van de formulieren 275F kunnen toegerekend worden aan een land. Ik moet u er wel op wijzen dat de verplichting van een elektronische aangifte pas bestaat vanaf aanslagjaar 2014. De grote verschillen in percentages van toerekenbaarheid zijn te verklaren doordat deze dus sterk afhankelijk zijn van het feit of er voor de grootste massa aan betalingen een aparte bijlage is gebruikt of niet. Daarnaast werd er gedurende de eerste jaren waarin de maatregel van kracht was, voornamelijk papieren aangiftes ingediend, dewelke niet verwerkt werden in statistieken omwille van de hoge administratieve last die daarmee gepaard zou gaan. De gegevens die beschikbaar zijn over deze eerste jaren zijn grotendeels onvolledig en om die reden niet representatief.
AJ 2016 | AJ 2017 | AJ 2018 | AJ 2019 | |
Totaal bedrag 275F | 82.872.072.070 EUR | 129.915.179.665 EUR | 206.844.220.034 EUR | 172.266.712.102 EUR |
Totaal toerekenbaar | 58.551.869.519 EUR | 51.339.002.476 EUR | 87.102.914.437 EUR | 141.922.340.310 EUR |
Toerekenbaar (%) | 70,65 % | 39,52 % | 42,11 % | 82,39 % |
c) De inhoud van het digitale formulier 275F moet herzien worden. De gegevens ervan moeten waar mogelijk gestructureerd worden om validatie op het ogenblik van het indienen van de aangifte meteen mogelijk te maken.
d) Er werden in die zin reeds stappen ondernomen om de applicatie aan te passen, maar men stootte op onverwachte technische moeilijkheden. De vooropgestelde aanpassingen aan het formulier 275F zullen worden geïmplementeerd tegen de aangifte voor het aanslagjaar 2021.
2. a) Ik verwijs naar ci. nr. Ci.RH.421/607.890 (AAFisc nr. 64/2010) en AFZ nr. 13/2010 van 30 november 2010 en bijhorende addenda, volgens dewelke (onder meer) krediet- en betalingsinstellingen die betalingen louter als tussenpersoon uitvoeren niet geviseerd worden door de maatregel. Zij zijn met andere woorden niet verplicht om transacties die zij verrichten voor rekening van derden aan te geven middels het formulier 275F. In de praktijk wordt vastgesteld, bij nazicht van individuele dossiers, dat dergelijke transacties soms toch aangegeven worden.
b) Ik heb mijn administratie gevraagd om het nut en de gevolgen van een dergelijke maatregel te onderzoeken met het oog op een eventuele wetswijziging.
3. Doortastende controles en uitwisseling van inlichtingen, zowel nationaal als internationaal, kunnen leiden tot identificatie van dergelijke praktijken. Ik kan u hierover echter geen cijfers bezorgen, omdat deze niet afzonderlijk worden bijgehouden.
4 en 5. Vooreerst wens ik te benadrukken dat de wet de bewijslast voor het recht op aftrek bij de belastingplichtige legt. In de gevallen waar uit de aangifte niet duidelijk blijkt of een transactie al dan niet aan de voorwaarden voldoet, zal mijn administratie de belastingplichtige verzoeken om de informatie die nodig is om die beoordeling te maken. Er wordt daarbij gestreefd naar vragen die zo precies mogelijk opgesteld zijn, rekening houdende met de aangegeven transactie, de activiteit van de belastingplichtige, en eventuele andere relevante informatie waarover mijn administratie beschikt.
Elementen die aanleiding kunnen geven tot nader onderzoek van een verrichting zijn onder meer vage, nietszeggende beschrijvingen van de aard van de transactie, een transactie die niet als gebruikelijk voorkomt gezien de activiteit van de belastingplichtige, een bestemmeling die gedomicilieerd is op een adres met vele andere ondernemingen, of een adres dat reeds bekend is als een postbusadres. De belastingplichtige kan vervolgens, met alle rechtsmiddelen, het nodige bewijs leveren. Er is daarbij steeds ruimte om eventuele onduidelijkheden rond de betaling, van welke aard dan ook, uit te klaren.
6. Een correcte toepassing van de transfer pricing regels is uiterst belangrijk bij betalingen tussen vennootschappen van eenzelfde groep. Daar dient des te meer aandacht aan te worden besteed wanneer men te maken heeft met verrichtingen naar staten zonder of met een lage belasting. De dossiers die voortvloeien uit de vooronderzoeken van de cel belastingparadijzen, worden overgemaakt aan de meest geschikte controledienst die zich, naar gelang het geval, binnen de Algemene Administratie Fiscaliteit, dan wel binnen de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie bevindt. Ik kan u overigens verzekeren dat bij beide administraties de nodige expertise rond transfer pricing aanwezig is.
