Parlementaire vraag nr. 65 van mevrouw Pieters van 22.10.2003

VRAAG 03/065

Vraag nr. 65 van mevrouw Pieters dd. 22.10.2003


Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 013, blz. 1813-1816

Belastingverhoging - Goede en kwade trouw

VRAAG

Krachtens de wettelijke bepalingen van artikel 444, tweede lid, WIB 1992 "kan" bij ontstentenis van kwade trouw worden afgezien van het minimum van 10% belastingverhoging.

Daarnaast stellen in uitvoering van artikel 444, eerste lid, WIB 1992 de reglementaire bepalingen van artikel 226, A, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 dat in geval van onvolledige of onjuiste aangifte te wijten aan omstandigheden "onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige" er ook geen belastingverhogingen moeten worden opgelegd.

Voorts bepaalt artikel 1116, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek dat "bedrog" niet wordt vermoed, maar telkens moet worden bewezen.

Vermits er zowel omtrent de oplegging, de bewijsvoering en de motivering van belastingverhogingen als omtrent de kriskras door elkaar gehanteerde begrippen zeer veel verwarring, blijvende betwistingen of geschillen bestaan, rijzen terzake de volgende algemene pertinente juridische en praktische vragen.

1.

a) Heeft, wetende dat alle fiscale bepalingen van openbare orde zijn, het eerste lid van artikel 444 WIB 1992 absolute voorrang op het tweede lid of omgekeerd?

b) Wat zijn hieromtrent de precieze aanbevelingen van de belastingadministraties aangaande de te respecteren juridische volgorde van belangrijkheid ?

c) Over welke interpretatiemogelijkheden beschikken de tussenkomende taxatie- en geschillenambtenaren dienaangaande allemaal?

2.

a) Wat zijn volgens de administraties de precieze verschillen en/of fiscale nuances tussen "kwade trouw" en "bedrog"?

b) Hoe becommentariëren, definiëren of omschrijven de belastingadministraties die beide begrippen op een klare en duidelijke wijze?

3.

a) Wat verstaan de belastingsadministraties thans duidelijk onder de bewoordingen "onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige"?

b) Wat is het exact verschil en/of de precieze fiscale nuance tussen de wettelijke bepalingen van artikel 444, tweede lid, WIB 1992 en de bepalingen van artikel 226, A, KB/WIB 1992 en welke bepaling heeft de absolute voorrang?

c) Welke gezamenlijke commentaren formuleren de belastingadministraties voortaan inzake deze beide wettelijke en reglementaire bepalingen?

4.

a) Hoe omschrijven de belastingadministraties het begrip "goede trouw"?

b) Stemt dit perfect overeen met de omschrijving: "zonder het opzet de belasting te ontduiken"? Zo neen, wat is de fiscale nuance of het fijn onderscheid ?

5. Kan u terzake punt per punt uw praktische algemene ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van de bepalingen van artikel 340 en 444 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, de motiveringsplicht, de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek als van alle beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk fiscaal bestuur?

ANTWOORD (minister van Financiën, 16.12.2003)

De gevallen waarin een belastingverhoging kan worden toegepast zijn wettelijk bepaald in artikel 444 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992): bij niet-aangifte, onvolledige aangifte of onjuiste aangifte.

De belastingverhogingen worden bepaald naargelang de aard en de ernst van de overtreding, volgens een schaal vastgesteld bij de artikelen 225 tot 229 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 1992).

In deze schaal wordt onderscheid gemaakt tussen overtredingen te wijten aan de omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige, overtredingen zonder opzet de belasting te ontduiken, overtredingen met opzet de belasting te ontduiken, overtredingen gepaard gaande met valsheid in geschrifte, omkoping, enz.

De ambtenaar die een overtreding van niet-aangifte, onvolledige of onjuiste aangifte vaststelt moet nagaan welke omstandigheden aan de basis van het gedrag van betrokkene liggen.

Indien de overtreding te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige dat wil zeggen indien het voor de betrokkene praktisch onmogelijk was om in de gegeven omstandigheden anders te handelen mag geen verhoging worden toegepast. Onder omstandigheden onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige kan men bijvoorbeeld rekenen: zware ziekte, afwezigheid van lange duur, kennelijke onwetendheid inzake fiscale verplichtingen, enz.

Vervolgens dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de belastingplichtige "ter goeder trouw" die "zonder opzet de belasting te ontduiken" slechts bij vergissing, nalatigheid, onvoorzichtigheid enz. een overtreding heeft gemaakt en de belastingplichtige "ter kwader trouw" die met bedrieglijk oogmerk heeft gehandeld. De rechtspraak neemt aan dat er sprake is van bedrieglijk opzet wanneer de belastingplichtige een overtreding pleegt met het oogmerk zichzelf of een derde een ongeoorloofd voordeel te verschaffen.

Voor overtredingen die zijn begaan "bij ontstentenis van kwade trouw" of "zonder opzet de belasting te ontduiken" voorziet het KB/WIB 1992 in principe drie tarieven van 10, 20 en 30 % volgens de rang van overtreding. Van die minimumverhoging van 10% kan echter krachtens artikel 444, tweede lid, WIB 1992, worden afgezien, inzonderheid wanneer het een eerste dergelijke overtreding betreft.

Wanneer belastingverhogingen worden toegepast dient de betrokken belastingplichtige te worden ingelicht over de desbetreffende wettelijke bepaling en, met redenen omkleed, over de toepasselijke belastingverhoging (vermelding van de aard, de ernst en de rang van de overtreding).

De commentaar op artikel 444, WIB 1992, geldt als richtsnoer van iedere ambtenaar.