Parlementaire vraag nr. 138 van mevrouw Pieters van 26.11.1999
VRAAG 99/138
Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 31, blz. 3630-3632
Bull. nr. 811, pag. 174
Investeringsaftrek - KMO - Bewijs
VRAAG
De vennootschappen die niet het positief bewijs leveren dat zij voldoen aan de bepalingen van artikel 201, eerste lid, 1°, WIB 1992 zijn in principe van de eenmalige investeringsaftrek uitgesloten.
Terzake rijzen de volgende algemene vragen.
1. Op welk ogenblik dienen ze dit "positief" bewijs te leveren: spontaan ter gelegenheid van het indienen van hun aangifte in de vennootschapsbelasting en het bijhorend formulier 276 U of op ieder mondeling of schriftelijk verzoek van de onderzoekende belastingambtenaren?
2. a) Op welke verschillende administratieve en praktisch mogelijke wijzen kunnen de belastingplichtigen dit positief bewijs reeds meteen leveren in het stadium van onderzoek ter voorkoming van een bezwaarschrift?
b) Welke specifieke bewijsmiddelen zijn in de fiscale wet zelf ingebouwd met betrekking tot die kwestieuze eenmalige investeringsaftrek?
3. a) Kan die bewijsvoering worden geleverd aan de hand van een voor waar en echt verklaarde schriftelijke getuigenis van de gedelegeerde bestuurders van de vennootschap dat de "aandelen aan toonder" voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen? Zo neen, waarom niet?
b) Of eist de Administratie telkens individuele schriftelijke bekentenissen of de eed van de respectievelijke aandeelhouders?
c) Worden die verklaringen naderhand ook uitgewisseld met de bevoegde ontvangers der registratie (zie artikelen 335 en 336, WIB 1992)?
4. Vormt de thans meestal gewenste bewijsvoering naar vennootschapsrecht niet veelal een onmogelijk of negatief bewijs? Op balansdatum worden immers geen buitengewone algemene vergaderingen of jaarvergaderingen gehouden waarbij uit de gehouden presentielijsten kan blijken welke natuurlijke personen met een bepaald aantal stemgerechtigde aandelen zijn verschenen (cf. ook artikel 315, tweede lid, 2°, WIB 1992).
5. Welke stappen hebben uw belastingadministraties inmiddels ondernomen om in het kader van een klantvriendelijk beleid slechts praktisch haalbare bewijzen te eisen zowel in fase van taxatie als in fase van bezwaar?
6. Kan u, punt per punt, uw algemene zienswijze geven in het licht van de bepalingen van de artikelen 49, 183, 185, 201 en 315, WIB 1992?
ANTWOORD
De binnenlandse vennootschappen die de in artikel 201, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bedoelde investeringsaftrek willen genieten, moeten bij hun aangifte in de vennootschapsbelasting van het belastbare tijdperk waarin de vaste activa zijn verkregen of tot stand gebracht een ingevulde, gedateerde en ondertekende opgave 276 U voegen en aantonen dat aan de in artikel 201, eerste lid, 1°, WIB 92, voorziene voorwaarden is voldaan.
Uit de bepalingen van artikel 201, WIB 92, zelf volgt dat, behoudens in de gevallen bedoeld in de artikelen 69, § 1, eerste lid, 2°, § 2, en 70, WIB 92, de investeringsaftrek die van toepassing is op vennootschappen gelijk is aan 0 %, behalve wat betreft binnenlandse vennootschappen waarvan de aandelen voor meer dan de helft toebehoren aan één of meer natuurlijke personen die de meerderheid van het stemrecht vertegenwoordigen en die geen deel uitmaken van een groep waartoe een erkend coördinatiecentrum behoort.
Deze uitzondering houdt in dat de betrokken vennootschap zelf het bewijs moet leveren dat voldaan is aan de gestelde voorwaarde (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 444-1, blz. 16 en administratieve circulaire nr. Ci.D.19/444.905, van 23 februari 1994, 22e aflevering, Bull. 737, blz. 811).
Dit bewijs kan worden geleverd door alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Het mag worden geleverd in gelijk welk stadium van de procedure.
De door artikel 201, eerste lid, 1°, WIB 92, bedoelde vennootschappen situeren zich in de regel onder de familiale "KMO"-bedrijven, waarvoor het niet onmogelijk is het gevraagde bewijs te leveren.
Wanneer het evenwel onmogelijk zou blijken te zijn een dergelijk bewijs te leveren, behoort het aan de betrokken vennootschap toe om de taxatieambtenaar of de met de behandeling van een bezwaarschrift betreffende dit onderwerp belaste ambtenaar, de overtuiging bij te brengen door alle elementen in rechte en in feite voor te leggen.
Tenslotte kunnen de fiscale administraties alle door hen bekomen inlichtingen uitwisselen in het kader van hun opdracht (artikelen 335 en 336, WIB 92).
Bron: FisconetPlus
