Parlementaire vraag nr. 274 van mevrouw Pieters van 23.02.2004
VRAAG 04/274
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 118, blz. 22886-22889
Uitwisselen van belastbare elementen naar andere belastingdiensten
VRAAG
Zowel door de controlecentra, de bijzondere belastinginspecties als door de klassieke belastingdiensten worden grondige controles bij vennootschappen verricht waarbij terzelfdertijd ook de belastingtoestand van de bedrijfsleiders, de kaderleden, de vertegenwoordigers en de arbeiders en bedienden of derden (klanten en leveranciers) meestal oppervlakkig mee wordt geverifieerd.
Bij toepassing van de bepalingen van de artikelen 335 en 336 WIB 1992 worden de met betrekking tot voornoemde belastingplichtigen en derden ingezamelde gegevens, samen met de vereiste motivering overgemaakt aan de territoriaal bevoegde belastingdiensten zowel gevestigd binnen als buiten het al dan niet anderstalig ambtsgebied van de vaststellende ambtenaar.
Het inzetten van de wijzigingsprocedure en de ondertekening van de gemotiveerde berichten van wijziging of kennisgevingen van aanslag van ambtswege wordt dan ook volledig toevertrouwd aan voornoemde bevoegde aanslagdiensten (natuurlijke personen en/of vennootschappen).
In de praktijk geven ook dergelijk uitgewisselde belastbare elementen (voordelen van alle aard, huur, roerende inkomsten, diverse inkomsten, enzovoort) echter veelal aanleiding tot blijvende betwistingen en niet-akkoorden daar onder andere de verantwoordelijkheid tot taxeren zonder meer volledig wordt doorgeschoven naar een andere ambtenaar dan diegene die de eerste vaststellingen heeft gedaan en omwille van het feit dat betrokkenen gewoonlijk geen weet hebben van de aan gang zijnde grondige fiscale controles bij de vennootschap(werkgeefster).
Daarnaast is het in principe wel de ondertekende taxatieambtenaar van niveau 1 (thans A) op wiens initiatief die betwiste aanslag in de personenbelasting of in de vennootschapsbelasting werd vastgesteld of ingekohierd die het dossier voor de rechtbank van eerste aanleg verder zal dienen te verdedigen en niet de eerst vaststellende onderzoeksambtenaar.
Terzake rijzen dan ook de onderstaande algemene praktische vragen met betrekking tot het onderzoek en de afhandeling van de blijvende discussies.
1. Moet of mag de verantwoordelijke aanslagambtenaar het niet-akkoord terug voor schriftelijk advies overmaken aan de eerst optredende en onderzoekende ambtenaar ?
Hoe luiden dienaangaande de ministeriële aanbevelingen ?
2.
a) Is dit collegiaal advies hiërarchisch en/of juridisch bindend voor de aanslagambtenaar ?
b) Aan welke hogere overheid van beide laatstgenoemde ambtenaren (inspecteur A, geschillenambtenaar of manager) dient het dossier eveneens te worden voorgelegd ?
3. Wie neemt de verantwoordelijke eindbeslissing om tot taxatie of inkohiering over te gaan ?
4. Welke verantwoordelijke hogere ambtenaar, manager of directielid moet zowel in fase van taxatie als in fase van bezwaar een definitieve en gemotiveerde stelling innemen wanneer er omtrent het uitgebrachte taxatievoorstel tussen de aanslag- en de vaststellende of onderzoekende ambtenaar ernstige en hardnekkige meningsverschillen blijven bestaan ?
5. Welke geschillenambtenaar, directieambtenaar en/of BBI-ambtenaar zal in fase van bezwaar :
a) het bezwaarschrift behandelen en onderzoeken;
b) hoor- en inzagerecht verlenen;
c) de directorale beslissing treffen en ondertekenen;
d) als administratieve filter fungeren en streng toezien op de correcte en objectieve toepassing van alle beginselen van behoorlijk bestuur ?
6. Welke aanslagambtenaar en/of vaststellende ambtenaar zal een dergelijke betwisting precies voor de rechtbank van eerste aanleg zelf moeten verdedigen, eventueel juridisch advies moeten uitbrengen en de antwoordconclusies moeten opstellen en ondertekenen ?
7. Is in dergelijke gevallen ook het fiscaal adagium «
in dubio contra fiscum» van toepassing ?
8. Kan u, punt per punt, uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de artikelen 333, 335, 336, 346, 351, 352
bis, 374, 375 en 379 WIB 1992, de nieuwe en klantvriendelijke fiscale cultuur alsmede van de beginselen van een behoorlijk en performant bestuur ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 21.04.2006)
Aangezien overeenkomstig artikel 346, 5
e lid, WIB 1992 de administratie uiterlijk de dag van de vestiging van de aanslag de belastingplichtige in kennis moet stellen van de opmerkingen van de belastingplichtige waarmee zij geen rekening heeft gehouden, met vermelding van de motieven die haar beslissing rechtvaardigen, is het logisch dat de taxatieambtenaar voor het formuleren van die opmerkingen advies kan vragen aan de dienst die aan de basis ligt van de voorgenomen taxatie.
Het is even logisch dat de taxatieambtenaar het advies van de dienst die hij geconsulteerd heeft volgt.
Voor het overige is de administratie «één».
Het verbaast mij dat de vragen van het geachte lid vanuit een negatie van die logica vertrekken. Daarenboven beogen zij een dergelijke variatie van mogelijkheden en hypothesen dat hierop binnen het kader van een parlementaire vraag niet kan worden geantwoord.
De interne werkwijze van de diensten is opgenomen in verschillende instructies.
In de praktijk doen zich slechts uiterst zelden problemen voor die volgens de noodwendigheden opgelost worden op het hiërarchische niveau ad hoc.
Zo het te pas en te onpas gebruikte adagium «
in dubio contra fiscum» al een algemeen rechtsbeginsel zou zijn, dan nog vindt deze spreuk, gelet op de eenheid van de Federale Overheidsdienst Financiën, geen toepassing op een meningsverschil tussen ambtenaren over de toepassing van de belastingwet.
Bron: FisconetPlus
