Parlementaire vraag nr. 294 van de heer Vincent Scourneau van 21.04.2015

Parlementaire vraag nr. 294 van de heer Vincent Scourneau dd. 21.04.2015

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015 – QRVA 54/036 dd. 03.08.2015, blz. 33

Taxshelter voor de filmindustrie. - Overdracht van de voorlopige vrijstelling

VRAAG (van de heer Scourneau)

Artikel 194ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) voorziet in een fiscaal gunstige regeling voor "ondernemingen (feitelijk enkel voor vennootschappen) die investeren in een raamovereenkomst met betrekking tot de taxshelterregeling voor de productie van een audiovisueel werk". Die regeling werd grondig en op oordeelkundige wijze herzien - ook al zullen er waarschijnlijk nog enkele, hoofdzakelijk technische correcties moeten worden aangebracht - via de wet van 12 mei 2014 (Belgisch Staatsblad, 27 mei 2014) en via het koninklijk besluit van 19 december 2014 (Belgisch Staatsblad, 31 december 2014, 2e ed.). Overeenkomstig de nieuwe taxshelterregeling, die sinds 1 januari 2015 van kracht is, wordt, indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken (artikel 194ter, § 3, pro parte, van het WIB 1992). De vrijstelling kan uiterlijk worden toegekend in het aanslagjaar dat verband houdt met het derde belastbaar tijdperk dat volgt op het kalenderjaar waarin het taxshelterattest aan de in aanmerking komende productievennootschap werd afgeleverd door de FOD Financiën (artikel 194ter, § 5, pro parte, van het WIB 1992). Voorts wordt de vrijstelling slechts definitief toegekend indien het taxshelterattest daadwerkelijk wordt afgeleverd en dit uiterlijk op 31 december van het vierde jaar volgend op het jaar waarin de raamovereenkomst wordt getekend (artikel 194ter, § 5, pro parte, van het WIB 1992). Op grond van het bovenstaande is de datum van 31 december van het vierde jaar volgend op het jaar waarin de raamovereenkomst werd ondertekend, dus de laatste dag waarop het taxshelterattest kan worden afgeleverd, én kan de vrijstelling uiterlijk worden toegekend in het aanslagjaar dat verband houdt met het derde belastbaar tijdperk dat volgt op het kalenderjaar waarin het taxshelterattest aan de in aanmerking komende productievennootschap werd afgeleverd. Daaruit volgt dat die bepalingen op twee manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Kan u bevestigen dat er dient te worden uitgegaan van de interpretatie waarbij men uit al die termijnen kan afleiden dat de maximale termijn voor de overdracht van de voorlopige vrijstelling feitelijk drie aanslagjaren na het vierde jaar bedraagt (letterlijke interpretatie van de wet die zou primeren op het voornemen van de wetgever zoals uitgedrukt in de memorie van toelichting bij de wet)?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Zoals het geachte lid opmerkt, zijn de bepalingen met betrekking tot de termijnen inzake de tax shelter vrijstelling (artikel 194ter, § 5, eerste en tweede lid van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) voor interpretatie vatbaar. Teneinde iedere rechtsonzekerheid weg te werken en de investeerders die later inschrijven op de investering niet te benadelen, zouden de betrokken bepalingen binnenkort het voorwerp moeten uitmaken van wetswijzigingen.