Parlementaire vraag nr. 1206 van de heer Hatry van 10.07.1998
VRAAG 98/1206
Vr. en Antw., Senaat, 1998-1999, nr. 1-87, blz. 4636
Internationale ambtenaren. - Huwelijksquotiënt.
VRAAG
Bij de hoven van beroep zijn thans een hele reeks vorderingen aanhangig over de vraag of artikel 128, 4°, van het WIB 92 wel verenigbaar is met artikel 13 van het Protocol over de privileges en immuniteiten van de Europese gemeenschappen. Anderzijds heeft het hof van beroep van Brussel bij arrest van 12 juni 1998 over dit probleem een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van Luxemburg. Meent de geachte minister derhalve niet dat aan de gewestelijke directeurs instructies moeten worden gegeven om de behandeling te schorsen van de bezwaarschriften die de (echtgenoten van) internationale ambtenaren hebben ingediend en dit totdat het Hof van Justitie van Luxemburg over deze zaak een uitspraak heeft gedaan ?
ANTWOORD
In antwoord op zijn vraag kan ik het geachte lid mededelen dat ik overtuigd ben dat de ontzegging van het voordeel van het huwelijksquotiënt aan de echtgeno(o)t(e) van een ambtenaar werkende bij een van de instellingen van de Europese Unie geen schending inhoudt van artikel 13 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen.
Het lijkt mij dan ook niet aangewezen om de desbetreffende aanhangige bezwaarschriften in beraad te houden tot het Europees Hof zich over de prejudiciële vraag heeft uitgesproken.
Zo de beslissing van het Hof van Justitie te Luxemburg evenwel strijdig zou zijn met de door de administratie verdedigde stellingname, zal de administratie der Directe Belastingen vanzelfsprekend voor de Belgische rechtsinstanties het zich opdringende standpunt innemen.
Bron: FisconetPlus
