Parlementaire vraag nr. 286 van mevrouw Lejeune van 27.03.2000
VRAAG 00/286
Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 38, blz. 4483-4485
Bull. nr. 809, blz. 2976
Recht van uitbating - Concessie - RV
VRAAG
Tal van VZW's waarvan het maatschappelijk doel in het beheer van een sportclub of een omnisporthal bestaat, worden door de fiscale administratie belast wanneer zij het beheer van de cafetaria, mits betaling van maandelijkse royalty's, aan een onafhankelijk beheerder overlaten.
Een dergelijke overeenkomst heeft fiscale gevolgen waarvan men zich vaak geen rekenschap geeft.
Artikel 221, 2°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen belastbaar zijn terzake van de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen.
Overeenkomstig artikel 17, 3°, WIB 1992 worden de inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen belast als inkomsten uit roerende goederen en kapitaal. De uit hoofde van de concessie ontvangen royalty's vallen daaronder. Onder de term "concessie" wordt hier verstaan elke overeenkomst die, zonder eigendomsoverdracht mede te brengen, onder bezwarende titel het recht verleent een goed of een recht uit te baten of er gebruik van te maken (zie rechtspraak hof van beroep van Gent, 30 maart 1965, Bulletin der belastingen, nr. 427, blz. 214). Het Commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen (17/3) somt gevallen op waarin artikel 17, 3°, WIB 1992 van toepassing is.
Artikel 22, § 3, WIB 1992 bepaalt dat het belastbare deel van de royalty's overeenstemt met het brutobedrag min de kosten die werden gemaakt om de inkomsten te verkrijgen of te behouden. Bij gebrek aan bewijsstukken worden die kosten overeenkomstig door de Koning vastgestelde percentages, forfaitair bepaald.
Artikel 3 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 1992) stelt het forfait vast. Het stemt overeen met 15% van het brutobedrag wanneer de verkrijger een rijksinwoner is of enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die in Belgi‰ haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer heeft, en die goederen niet voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt.
Op het aldus bekomen netto-inkomen wordt een roerende voorheffing geheven die momenteel vastgesteld is op:
- 15% voor inkomsten die zijn toegekend ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vanaf 1 maart 1990;
- 25% voor inkomsten die zijn toegekend ter uitvoering van overeenkomsten gesloten vóór 1 maart 1990 (toepassing van artikel 171, 2°bis, en 519 WIB 1992).
De artikelen 261 en 262, 1°, WIB 1992 bepalen wie roerende voorheffing moet betalen.
De betrokken VZW's hebben gereageerd omdat de regeling een zware aanslag op hun financi‰le middelen vormt en dus de verenigingswereld, die zich hoofdzakelijk door het vrijwilligerswerk onderscheidt, benadeelt.
1. Deelt u het standpunt van de fiscale administratie?
2. Zo neen, op welke juridische argumenten is uw redenering gestoeld?
3. Zo ja, dan dient een bijkomende vraag zich aan.
Om de belastinggrondslag vast te stellen, kan de VZW de aftrek vragen van de reële kosten die "uitsluitend" betrekking hebben op het beheer van de cafetaria (bijvoorbeeld de belasting voor de opening, patent, water, verwarming, gas, elektriciteit, verzekering, afschrijvingen van het gebouw en de inboedel, enz.). Sommige van die kosten zijn echter normaal gezien ten laste van de cafetariabeheerder.
Heeft de fiscale administratie het recht in hoofde van de cafetariabeheerder tot het vereiste bedrag voordelen van alle aard af te houden?
4. Zou het niet nuttig zijn de verenigingswereld die vaak onthutst op het standpunt van de administratie reageert, in te lichten en daartoe dit fiscaal probleem in het Bulletin der belastingen te behandelen?
ANTWOORD
Vooreerst wil ik het geachte lid erop wijzen dat de fiscale bepalingen van openbare orde zijn en in principe restrictief moeten worden ge‹nterpreteerd, zodat hiervan niet kan worden afgeweken ongeacht de aangehaalde omstandigheden.
Dienaangaande en voor zover de desbetreffende vereniging aan de rechtspersonenbelasting onderworpen is, zijn de vergoedingen die zij ontvangt en die zijn aan te merken als inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 3°, of artikel 90, 5°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 aan de roerende voorheffing onderworpen.
Het bestaan van een belastbaar voordeel ten name van de uitbater moet onderzocht worden in het licht van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk onderhavig concessiecontract. Derhalve zal het geachte lid willen begrijpen dat het mij niet mogelijk is mij in dit verband uit te spreken zonder in het bezit te zijn van de nodige beoordelingselementen.
Ten slotte wil ik eraan herinneren dat de parlementaire vragen die een zeker belang hebben voor zowel de taxatiediensten als de belastingplichtigen steeds met hun antwoord in het Bulletin der belastingen gepubliceerd worden.
Bron: FisconetPlus
