Parlementaire vraag nr. 206 van mevrouw Pieters van 08.01.2004
VRAAG 04/206/2
Vraag nr. 206 van mevrouw Pieters dd. 08.01.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 164, blz. 32113-32116
Onbetwist verschuldigd gedeelte - Wijzigigngsprocedure - Akkoordverklaring
VRAAG
Bij toepassing van de wijzigingsprocedure voorzien bij artikel 346 WIB 1992 en bij een naderhand betwiste gewone akkoordverklaring worden krachtens artikel 410, eerste lid, van ditzelfde wetboek in geval van bezwaar de betwiste aanslagen in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de daarop betrekking hebbende interesten, beschouwd als zekere en vaststaande schulden en kunnen, evenals de kosten van alle aard, door middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd, in de mate dat zij overeenstemmen met het bedrag van de «aangegeven inkomsten».
Voor de toepassing van dit eerste lid van artikel 410 worden de inkomsten waaraan de belastingschuldige «tijdens de procedure van vestiging van de belasting» zijn goedkeuring heeft gehecht, gelijkgesteld met de «aangegeven inkomsten» (= artikel 410, tweede lid, WIB 1992).
In de administratieve praktijk schijnen naar verluidt omtrent dit laatste en bijzonder invorderingsaspect evenwel diverse algemene soepeler interpretaties te bestaan wanneer de akkoordverklaringen of bekentenissen achteraf toch worden betwist of ingetrokken door middel van een geldig bezwaarschrift of van een gerechtelijk verhaal.
Daarnaast is het ook zo dat in fase van onderzoek van het bezwaarschrift en zelfs in geval van gerechtelijke fase het onbetwist verschuldigd gedeelte meermaals kan evolueren wanneer de belastingschuldigen gedeeltelijk afstand van hun grieven hebben gedaan.
1.
a) Blijft het «onbetwist verschuldigd gedeelte» berekend op basis van de akkoorden ontstaan ten tijde van de taxatiefase steeds totaal ongewijzigd zowel tijdens de ganse periode van het administratif onderzoek van het bezwaarschrift als tijdens de volledige duur van de gerechtelijke procedure ingezet bij de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg, bij de hoven van beroep en bij het Hof van Cassatie ?
Blijft het met andere woorden bij een eenmalige en definitieve berekening van het onmiddellijk invorderbaar bedrag zoals vastgesteld aan de hand van de belastbare elementen aangewend ter gelegenheid van de inkohiering van de betwiste aanslag ?
b) Of, moet, wat logischer zou zijn, er bij iedere wijziging van het bedrag van de belastbare inkomsten waaraan belastingschuldige zijn schriftelijke goedkeuring heeft verleend of slechts kan en wil hechten, telkens onder aangetekende RPomslag een nieuw bericht 178J worden verstuurd ?
c) Is het inderdaad zo dat het «onbetwist verschuldigd gedeelte» wettelijk nooit lager kan zijn dan dat bedrag zoals berekend op basis van het aangegeven, zelfs ondertussen al onjuist bevonden, belastbaar inkomen ?
2. Op welk precies ogenblik moet in elk van de onderstaande gevallen het «onbetwist verschuldig gedeelte» respectievelijk eenmalig of meerdere malen feitelijk en juridisch worden beoordeeld en naderhand telkens) worden (her)berekend in het licht van de bepalingen van artikel 410, eerste en tweede lid, WIB 1992 ?
a) Op datum van antwoord met geheel of gedeeltelijk akkoord met de gegevens en elementen vervat in het bericht van wijziging van aangifte en/of na verzending van het document 279T ?
b) Op datum van ondertekening van een gewone akkoordverklaring of bekentenis in de zin van artikel 340 WIB 1992 ?
c) Op datum van mechanische of manuele inkohiering ?
d) Op datum van indiening van het bezwaarschrift en inzonderheid rekening houdende met de (gewijzigde) belastbare grondslag waarmee belastingschuldige zich in dat specifiek bezwaarschrift inmiddels slechts partieel uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard ?
e) Op datum van indiening van fiscale verzoekschriften bij de rechtbanken en hoven en inzonderheid rekening houdende met de (gewijzigde) belastbare grondslagen waarmee de belastingschuldigen zich in die verzoekschriften inmiddels fragmentarisch uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard ?
f) Op enig ander tijdstip en/of rekening houdende met alle andere fiscale momentopnamen inzake belastbare grondslagen ?
3.
a) Dient er door de onderzoekende geschillenambtenaren en/of door de bevoegde geschillendiensten van gewestelijke directies toch nog een formulier 178J te worden verstuurd wanneer de betwiste aanslagen reeds integraal werden betaald ?
b) Vormt dit in bevestigend geval niet veeleer een onnodige werkoverlast en hoe luiden terzake uw huidige administratieve onderrichtingen ?
4. Kunnen, in acht genomen de beginselen van behoorlijk bestuur, alle begane foutieve interpretaties, vergissingen of materiële misslagen met betrekking tot de berekening van het onmiddellijk invorderbaar bedrag door de onderzoekende geschillen- en directieambtenaren op om het even welk ogenblik toch nog steeds in plus of in min worden rechtgezet ?
5. Kan u, punt per punt in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uw algemene en pragmatische ziens- en handelwijze meedelen, mede gezien in het kader van een modern, klantvriendelijk, performant en behoorlijk fiscaal bestuur ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 23.04.2007)
1 en 2. Ik verwijs naar artikel 410, WIB 1992 dat duidelijk is en geen interpretatie behoeft.
Zodra de ambtenaar die belast is met het onderzoek van het bezwaarschrift, de vraag tot ambtshalve ontheffing of de vordering in rechte in het bezit is van alle vereiste elementen, berekent hij de zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410, WIB 1992.
Voor het bedrag van het zogenoemde onbetwist verschuldigd gedeelte van de aanslag verwijs ik naar de commentaar onder nummer 410/1, COM.IB92.
Overeenkomstig artikel 410, derde lid, WIB 1992 kan de directeur der belastingen de invordering evenwel doen uitstellen, in zover en onder de voorwaarden door hem te bepalen.
3. Het lijkt mij niet zeer zinvol om in dat geval over te gaan tot de berekening van een zekere en vaststaande schuld.
4. Het antwoord is bevestigend.
Vraag nr. 206 van mevrouw Pieters dd. 08.01.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2006-2007, nr. 164, blz. 32113-32116
Onbetwist verschuldigd gedeelte - Wijzigigngsprocedure - Akkoordverklaring
VRAAG
Bij toepassing van de wijzigingsprocedure voorzien bij artikel 346 WIB 1992 en bij een naderhand betwiste gewone akkoordverklaring worden krachtens artikel 410, eerste lid, van ditzelfde wetboek in geval van bezwaar de betwiste aanslagen in hoofdsom, opcentiemen en verhogingen, vermeerderd met de daarop betrekking hebbende interesten, beschouwd als zekere en vaststaande schulden en kunnen, evenals de kosten van alle aard, door middelen van tenuitvoerlegging worden ingevorderd, in de mate dat zij overeenstemmen met het bedrag van de «aangegeven inkomsten».
Voor de toepassing van dit eerste lid van artikel 410 worden de inkomsten waaraan de belastingschuldige «tijdens de procedure van vestiging van de belasting» zijn goedkeuring heeft gehecht, gelijkgesteld met de «aangegeven inkomsten» (= artikel 410, tweede lid, WIB 1992).
In de administratieve praktijk schijnen naar verluidt omtrent dit laatste en bijzonder invorderingsaspect evenwel diverse algemene soepeler interpretaties te bestaan wanneer de akkoordverklaringen of bekentenissen achteraf toch worden betwist of ingetrokken door middel van een geldig bezwaarschrift of van een gerechtelijk verhaal.
Daarnaast is het ook zo dat in fase van onderzoek van het bezwaarschrift en zelfs in geval van gerechtelijke fase het onbetwist verschuldigd gedeelte meermaals kan evolueren wanneer de belastingschuldigen gedeeltelijk afstand van hun grieven hebben gedaan.
1.
a) Blijft het «onbetwist verschuldigd gedeelte» berekend op basis van de akkoorden ontstaan ten tijde van de taxatiefase steeds totaal ongewijzigd zowel tijdens de ganse periode van het administratif onderzoek van het bezwaarschrift als tijdens de volledige duur van de gerechtelijke procedure ingezet bij de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg, bij de hoven van beroep en bij het Hof van Cassatie ?
Blijft het met andere woorden bij een eenmalige en definitieve berekening van het onmiddellijk invorderbaar bedrag zoals vastgesteld aan de hand van de belastbare elementen aangewend ter gelegenheid van de inkohiering van de betwiste aanslag ?
b) Of, moet, wat logischer zou zijn, er bij iedere wijziging van het bedrag van de belastbare inkomsten waaraan belastingschuldige zijn schriftelijke goedkeuring heeft verleend of slechts kan en wil hechten, telkens onder aangetekende RPomslag een nieuw bericht 178J worden verstuurd ?
c) Is het inderdaad zo dat het «onbetwist verschuldigd gedeelte» wettelijk nooit lager kan zijn dan dat bedrag zoals berekend op basis van het aangegeven, zelfs ondertussen al onjuist bevonden, belastbaar inkomen ?
2. Op welk precies ogenblik moet in elk van de onderstaande gevallen het «onbetwist verschuldig gedeelte» respectievelijk eenmalig of meerdere malen feitelijk en juridisch worden beoordeeld en naderhand telkens) worden (her)berekend in het licht van de bepalingen van artikel 410, eerste en tweede lid, WIB 1992 ?
a) Op datum van antwoord met geheel of gedeeltelijk akkoord met de gegevens en elementen vervat in het bericht van wijziging van aangifte en/of na verzending van het document 279T ?
b) Op datum van ondertekening van een gewone akkoordverklaring of bekentenis in de zin van artikel 340 WIB 1992 ?
c) Op datum van mechanische of manuele inkohiering ?
d) Op datum van indiening van het bezwaarschrift en inzonderheid rekening houdende met de (gewijzigde) belastbare grondslag waarmee belastingschuldige zich in dat specifiek bezwaarschrift inmiddels slechts partieel uitdrukkelijk akkoord heeft verklaard ?
e) Op datum van indiening van fiscale verzoekschriften bij de rechtbanken en hoven en inzonderheid rekening houdende met de (gewijzigde) belastbare grondslagen waarmee de belastingschuldigen zich in die verzoekschriften inmiddels fragmentarisch uitdrukkelijk akkoord hebben verklaard ?
f) Op enig ander tijdstip en/of rekening houdende met alle andere fiscale momentopnamen inzake belastbare grondslagen ?
3.
a) Dient er door de onderzoekende geschillenambtenaren en/of door de bevoegde geschillendiensten van gewestelijke directies toch nog een formulier 178J te worden verstuurd wanneer de betwiste aanslagen reeds integraal werden betaald ?
b) Vormt dit in bevestigend geval niet veeleer een onnodige werkoverlast en hoe luiden terzake uw huidige administratieve onderrichtingen ?
4. Kunnen, in acht genomen de beginselen van behoorlijk bestuur, alle begane foutieve interpretaties, vergissingen of materiële misslagen met betrekking tot de berekening van het onmiddellijk invorderbaar bedrag door de onderzoekende geschillen- en directieambtenaren op om het even welk ogenblik toch nog steeds in plus of in min worden rechtgezet ?
5. Kan u, punt per punt in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 uw algemene en pragmatische ziens- en handelwijze meedelen, mede gezien in het kader van een modern, klantvriendelijk, performant en behoorlijk fiscaal bestuur ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën, 23.04.2007)
1 en 2. Ik verwijs naar artikel 410, WIB 1992 dat duidelijk is en geen interpretatie behoeft.
Zodra de ambtenaar die belast is met het onderzoek van het bezwaarschrift, de vraag tot ambtshalve ontheffing of de vordering in rechte in het bezit is van alle vereiste elementen, berekent hij de zekere en vaststaande schuld in de zin van artikel 410, WIB 1992.
Voor het bedrag van het zogenoemde onbetwist verschuldigd gedeelte van de aanslag verwijs ik naar de commentaar onder nummer 410/1, COM.IB92.
Overeenkomstig artikel 410, derde lid, WIB 1992 kan de directeur der belastingen de invordering evenwel doen uitstellen, in zover en onder de voorwaarden door hem te bepalen.
3. Het lijkt mij niet zeer zinvol om in dat geval over te gaan tot de berekening van een zekere en vaststaande schuld.
4. Het antwoord is bevestigend.
Bron: FisconetPlus
