Parlementaire vraag nr. 522 van mevrouw Douifi van 28.10.2004

VRAAG 04/522
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 61, blz. 9755-9757
Belastinghervorming - Decumul - Invloed vermogensrecht - Beroepskosten
VRAAG
Ingevolge de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting wordt met ingang van aanslagjaar 2005 (inkomsten van het jaar 2004) het principe van de volledige decumul ingevoerd voor gehuwden. Zo worden de onroerende inkomsten, in tegenstelling tot voorheen, niet meer globaal samengevoegd bij de inkomsten van de echtgenoot met de hoogste bedrijfsinkomsten maar bepaalt artikel 127 WIB 1992 dat bij de vaststelling van het netto-inkomen van elke belastingplichtige rekening gehouden wordt met:
  • de onroerende inkomsten die eigen zijn op grond van het "vermogensrecht";
  • 50 % van de totaliteit van de onroerende inkomsten van beide belastingplichtigen.
Artikel 11 WIB 1992 bepaalt dat de inkomsten als bedoeld in artikel 7, § 1, 1° en 2°, WIB 1992, hetzij de inkomsten van niet verhuurde onroerende goederen en de inkomsten van verhuurde onroerende goederen, belastbaar zijn ten name van de eigenaar, de bezitter, de erfpachter, de opstalhouder of de vruchtgebruiker van het goed.
1.
a) Dient artikel 127 WIB 1992 aanzien te worden als een uitzondering op artikel 11 WIB 1992?
b) Met andere woorden, dient voor gehuwden onder het wettelijk stelsel het onroerend inkomen van een eigen goed van één der echtgenoten door elk der echtgenoten voor 50 % aangegeven te worden, gelet op het feit dat de inkomsten uit een eigen goed van één der echtgenoten tijdens het huwelijk burgerrechtelijk toekomen aan de huwgemeenschap tussen de echtgenoten?
In voorkomend geval ontstaat een belastbaarheid en name van een belastingplichtie die geen eigenaar, bezitter, opstalhouder, vruchtgebruiker of erfpachter is wat niet strookt met artikel 11 WIB 1992.
2. Of dient het begrip "vermogensrecht" gebruikt in artikel 127 WIB 1992 beoordeeld te worden in termen van wie de eigendom heeft, zodat de onroerende inkomsten van het voormelde eigen onroerend goed van één der echtgenoten op naam van die echtgenoot alleen aangegeven moeten worden?
3.
a) In het geval van echtgenoten die over een gemeenschappelijk onroerend goed in onverdeeldheid beschikken (eigen woning) met een niet geïndexeerd kadastraal inkomen van bijvoorbeeld 1 000 euro, waarvan de man alleen bijvoorbeeld 30 % aanwendt voor het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid, hoe dient de aangifte van het kadastraal inkomen te gebeuren volgens de nieuwe regels van de decumul?
Onder de regel van cumul diende 700 euro weerhouden te worden in code 100 van de aangifte en 300 euro onder code 105 van de aangifte.
b) Welke codes moeten door zowel man als vrouw worden ingevuld vanaf aanslagjaar 2005 en voor welke bedragen? Is dit als volgt:
  • Man code 100: 200 euro; code 105: 300 euro;
  • Vrouw code 100: 500 euro
Dan wel als volgt:
  • Man code 100: 350 euro; code 106: 150 euro;
  • Vrouw code 100: 350 euro; code 106: 150 euro.
4.
a) Wijzigt de nieuwe regeling van decumul met ingang van aanslagjaar 2005 het administratief standpunt met betrekking tot het bedrag van de aanneembare afschrijvingen op een onroerend goed dat tot het gemeenschappelijk vermogen van beide echtgenoten behoort en dat slechts door één van de echtgenoten aangewend wordt voor zijn beroepsactiviteit? Standpunt zoals weergeven in het antwoord op vraag nr. 907 van 23 mei 1997 van de heer Van Hoorebeke (Vragen en Antwoorden, Kamer 1996-1997, nr. 90, blz. 12365) en in antwoord op vraag nr. 675 van 30 april 2001 van de heer Van Hoorebeke (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2000-2001, nr. 89, blz. 10268-10269).
Dit standpunt hield immers een discriminatie in van feitelijke samenwoners die een onroerend goed in onverdeeldheid bezitten ten aanzien van gehuwden die een onroerend goed in onverdeeldheid bezitten en waarbij telkens slechts één partner het onroerend goed aanwendt voor zijn beroepsactiviteit.
De feitelijke samenwonende partner mag slechts een afschrijvingsbasis weerhouden in de mate dat zijn onverdeeld deel voor de uitoefening van zijn beroepsactiviteit wordt gebruikt (50 % beroepsgebruikte woning voor 50 % in onverdeeldheid betekent afschrijvingsbasis van 25 % op de waarde van het onroerend goed) terwijl in geval van huwelijk in dezelfde situatie een afschrijvingsbasis van 50 % van de waarde van het onroerend goed mocht weerhouden worden.
b) Welke concrete fiscale gevolgen heeft de hervorming van de personenbelasting op hierboven geschetste situatie op het vlak van afschrijvingen en op het vlak van aangifte van kadastraal inkomen op naam van zowel man en vrouw die gehuwd zijn?
c) Geldt hetzelfde voor wettelijke samenwoners?
5.
a) Kunnen belastingplichtigen met een groot onroerend vermogen inlichtingen bekomen bij de administratie over hun aandeel in al hun eigendommen, teneinde een correcte aangifte te kunnen verrichten met ingang van aanslagjaar 2005, bijvoorbeeld omdat zij niet meer in het bezit zijn van alle aankoopakten?
b) Zo ja, hoe dient dit te verlopen?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 13.01.2005)
Ik heb de eer het geachte lid te verwijzen naar het antwoord op de mondelinge parlementaire vraag nr. 3847 van volksvertegenwoordiger Jacques Chabot (zie Integraal Verslag, Kamer, 2004-2005, commissie voor de Financiën en de Begroting van 19 oktober 2004, blz. 33).
Mijn administratie bereidt momenteel een administratieve circulaire voor waarin de weerslag van het vermogensrecht op de onroerende inkomens en de door het geachte lid aangehaalde problemen worden behandeld. Die circulaire zal zo snel mogelijk worden gepubliceerd.