Parlementaire vraag nr. 740 van mevrouw Meeus van 18.04.2005

VRAAG 05/740

Vraag nr. 740 van mevrouw Meeus dd. 18.04.2005


Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 082, blz. 13995-13998

Gehandicapten - Vermindering onroerende voorheffing

VRAAG

Artikel 257, eerste lid, 3°, WIB 1992 bepaalt dat een gehandicapte recht heeft op een vermindering op de onroerende voorheffing. In het 3° van dit artikel wordt, wat betreft de bepaling van "gehandicapt persoon", verwezen naar artikel 135, WIB 1992. Artikel 135, WIB 1992 bepaalt dat als gehandicapte wordt aangemerkt diegenen die van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd vóór de leeftijd van 65 jaar.

1. Waarom wordt de leeftijdsgrens van 65 jaar aangehouden voor de toekenning van een vermindering van onroerende voorheffing terwijl het verdienvermogen door de pensioengerechtigdheid automatisch vermindert?

2. Zijn er cijfergegevens bekend omtrent het aantal aangemerkte gehandicapten voor en na de 65jaar?

3. Zijn er andere mogelijkheden ter compensatie van het verdienvermogen voorzien voor mensen die gehandicapt zijn boven de 65 jaar?

ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.06.2005)

Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op haar vragen.

1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt een vermindering van de onroerende voorheffing verleend betreffende de woning, betrokken door een in de zin van artikel 135, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) gehandicapte persoon.

Als gehandicapte in de zin van artikel 135, eerste lid, 1°, wordt aangemerkt degene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar:

  • ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
  • ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
  • ofwel na de periode van primaire ongeschiktheid, bepaald in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 16 juli 1994, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 100 van dezelfde gecoördineerde wet;
  • ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 % blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard.
Wat de gehanteerde leeftijdsgrens van 65 jaar betreft ben ik zo vrij te verwijzen naar de besprekingen die dienaangaande in Kamer en Senaat werden gevoerd ter gelegenheid van de invoering van artikel 6, §§ 5 tot 7, van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en verwijzing van de met het zegel gelijkgestelde taksen en meer bepaald naar het verslag namens de commissie voor Financiën, Kamer, 1988-1989, Parl. St., nr. 597/7, blz. 107 en 108.

Daaruit blijkt onder meer dat het stellen van de grens van 65 jaar verantwoord is door het ingewikkelde vraagstuk van de handicaps van bejaarden, bij wie een ouderdomsverschijnsel vaak erg moeilijk te onderscheiden is van een echte handicap in de gebruikelijke zin van het woord. Zodoende werd, bij gebrek aan enige meer adequate maatstaf, dezelfde leeftijdsgrens, die op sociaal vlak al van toepassing was inzake tegemoetkomingen aan gehandicapten ( cf. inzonderheid de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten), ook in de fiscale wet ingeschreven (zie ook de antwoorden op de parlementaire vragen nr. 670 van 31 augustus 1993, van volksvertegenwoordiger Vandendriessche, Vragen en Antwoorden, Kamer, 1993-1994, nr. 78 van 12 oktober 1993, blz. 7429; vraag nr. 602 van de heer Anciaux van 7 november 1997, Vragen en Antwoorden, Senaat, 1997-1998, nr. 1-61, blz. 3136-3137 en vraag nr. 3-1008 van mevrouw Van de Casteele van 29 juni 2004, Vragen en Antwoorden, Senaat 2003-2004, nr. 3-20, blz. 1240-1241).

Bovenvermelde wetsbepaling geeft aan een persoon van wie de graad van handicap niet vóór zijn 65e jaar is vastgesteld, maar kan bewijzen dat die handicap het gevolg is van feiten die vóór de leeftijd van 65 jaar zijn voorgevallen en vastgesteld, de mogelijkheid om zijn graad van handicap nog na die leeftijdsgrens te laten vaststellen.

2 .De tweede vraag peilt naar het aantal aangemerkte gehandicapte personen vóór en na 65 jaar. Ik moet het geachte lid evenwel meedelen dat er inzake de vermindering van onroerende voorheffing wegens invaliditeit bij mijn administratie geen specifieke en gedetailleerde statistieken voorhanden zijn.

Inzake algemene cijfergegevens omtrent het aantal gehandicapten vóór en na de 65 jaar, moet ik het geachte lid verwijzen naar mijn collega-minister, bevoegd voor Sociale Zekerheid, waaronder het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsuitkering (RIZIV) ressorteert.

3. In de fiscale wetgeving zijn geen andere mogelijkheden voorzien ter compensatie van de niet toekenning van de vermindering van onroerende voorheffing voor personen van wie de graad van handicap niet vóór de leeftijd van 65 jaar werd vastgesteld.

Ten slotte wordt de aandacht van het geachte lid erop gevestigd dat, bij toepassing van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten ( Belgisch Staatsblad van 17 januari 1989 - Tweede uitgave) gewijzigd door de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur ( Belgisch Staatsblad van 20 juli 1993) en de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten ( Belgisch Staatsblad van 3 augustus 2001), de onroerende voorheffing, met ingang van 1 januari 1989, een gewestelijke belasting is geworden en dat bijgevolg de gewesten vanaf deze datum, bevoegd zijn om de aanslagvoet en de vrijstellingen van deze belasting te wijzigen en vanaf 1 januari 2002 ook de heffingsgrondslag ervan.