Parlementaire vraag nr. 56008341C van de heer Vincent Van Quickenborne van 01.10.2025

Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2024-2025, CRIV 56 COM 206 d.d. 01.10.2025, blz. 68

De regeling inzake goede trouw bij de belastingaangifte

VRAAG (de heer Van Quickenborne)

Mijnheer de minister, ik zal nu wat meer kritische vragen stellen. Herinnert u zich de discussie over artikel 444 van het WIB92, betreffende het vermoeden van de goede trouw bij de eerste fout? Ik heb destijds ook gezegd dat het uitsluiten van artikel 351 van het WIB92, de aanslag van ambtswege, een gevaarlijk precedent vormt. U zei toen dat dit geen probleem was, aangezien belastingplichtigen sowieso ingelicht worden wanneer er een aanslag van ambtswege wordt gevestigd, waardoor er geen sprake is van goede trouw. Ik heb toen een amendement ingediend om u ervan te overtuigen dat er bij ontstentenis van briefwisseling toch een vermoeden van goede trouw zou moeten bestaan, maar dat veegde u van tafel. Deze zomer verscheen er echter een omzendbrief met betrekking tot het principe van de goede trouw. Daarin bepaalde u dat een aanslag van ambtswege in principe alleen kan worden gevestigd indien een herinneringsbrief werd verzonden. U hebt goed naar mij geluisterd en in plaats van de wet te wijzigen, hebt u dit vastgelegd in een omzendbrief met de vermelding 'in principe'. Fiscale ambtenaren denken dan meteen daarbij hoe zij van dat principe kunnen afwijken. Een omzendbrief heeft echter geen wettelijke waarde en biedt geen sluitende rechtszekerheid. Ik heb vastgesteld dat ik zelfs een advocatenkantoor, Bloom, heb geinspireerd om een verzoekschrift tot vernietiging bij het Grondwettelijk Hof in te stellen, onder meer omdat de regeling beperkt is tot de inkomstenbelasting en niet geldt voor de btw. Zij stellen dat het uitsluiten van de goede trouw bij een aanslag van ambtswege discriminerend is om dat een laattijdige aangifte ook te goeder trouw kan gebeuren. Een tijdige, maar foutieve aangifte wordt geacht te goeder trouw te zijn, terwijl een laattijdige, maar correcte aangifte niet te goeder wordt geacht. Me dunkt hebben ze daar een terecht punt van kritiek. Erkent u dat de huidige regeling door de uitsluiting van artikel 351 van het WIB92 in de praktijk tot discriminatie kan leiden? Waarom hebt u destijds mijn amendement verworpen? Bent u het ermee eens dat een circulaire onvoldoende rechtszekerheid biedt, omdat deze geen wettelijke waarde heeft?

ANTWOORD (VEM Financiën, Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en Federale Culturele Instellingen)

Mijnheer Van Quickenborne, naar mijn mening bevat de huidige tekst geen hiaten en leidt hij niet tot discriminatie. De circulaire probeert de wettelijke bepaling niet te versoepelen, maar geeft slechts details over de praktische toepassing ervan. Uiteraard heeft een circulaire niet dezelfde waarde als een wet, maar ze biedt wel de mogelijkheid om de vereiste toelichtingen te geven over de werking van de wettelijke bepaling. De indiening van een verzoek tot niet-verklaring betekent niet noodzakelijkerwijs dat de wet moet worden gewijzigd. De huidige tekst zal voor het Grondwettelijk Hof worden verdedigd. We wachten de uitspraak van het Hof af alvorens te beslissen of aanpassingen nodig zijn.

Vincent Van Quickenborne : Dank u, mijnheer de minister, uiteraard zult u uw verdediging niet onthullen aan de Kamer. U bereidt zich grondig voor op de rechtszaak bij het Grondwettelijk Hof. Ten eerste spreekt u van een detail. Ik beschouw dat echter niet als een detail, want we hebben daarover in deze commissie urenlang gediscussieerd. Aanvankelijk verklaarde u dat de betrokkenen op de hoogte waren via briefwisseling. Pas later gaf u aan dat het mogelijk was dat er nog geen briefwisseling was geweest. Vervolgens hebt u aangegeven dat ik misschien wel gelijk had. Uiteindelijk heeft dat niet tot een wetsaanpassing geleid, maar tot een circulaire. U erkent dus dat ik een punt heb, maar u wilt dat niet toegeven, dus regelt u dat met een circulaire. Ten tweede staat in de circulaire "in principe". Dan komt het natuurlijk voor dat een fiscale ambtenaar stelt dat het principe niet geldt en dat daarvan wordt afgeweken. Zo wordt het principe van goede trouw niet toegepast. Ik herhaal dat het principe van goede trouw niet geldt voor iemand die één dag te laat een correcte aangifte indient. Omgekeerd geldt dat principe wel bij iemand die zijn aangifte op tijd indient, maar met een zware fout erin. Volgens mijn mening zijn dat twee maten en twee gewichten en waarschijnlijk zijn er nog commissieleden die mening toegedaan. We kijken dus uit naar het proces bij het Grondwettelijk Hof.