Parlementaire vraag nr. 26710 van de heer Gilles Vanden Burre, vraag nr. 26800 van de heer Ahmed Laaouej en vraag nr. 26821 van de heer Luk Van Biesen van 19.09.2018
Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2017-2018, CRIV 54 COM 962 d.d. 19.09.2018, blz. 6
De evaluatie van de bijzondere bijdrage van 5% in het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting
VRAAG (van de heer Vanden Burre)
De hervorming van de vennootschapsbelasting omvat nieuwe fiscale maatregelen voor vennootschappen die hun bedrijfsleider een onvoldoende bezoldiging uitkeren. Een van de maatregelen in het kader van die hervorming is een vermindering van het nominale tarief van de vennootschapsbelasting. Daar zijn we op zich voorstander van, maar we zijn het niet eens met de maatregelen die parallel werden ingevoerd. Op recht te hebben op dat lagere tarief, moet aan de bedrijfsleider immers een bezoldiging van minstens 45 000 euro per jaar worden uitgekeerd, tegenover 36 000 voordien. Zoniet wordt een sanctie opgelegd ten bedrage van 5 % van het verschil tussen de uitgekeerde en de minimum-bezoldiging. De UCM heeft zich tegen die maatregel uitgesproken, die zonder onderscheid voor alle vennootschappen geldt. De vroegere minimumbezoldiging stemt beter overeen met de situatie van de kmo's. Hebt u die maatregel zoals beloofd geëvalueerd? Kunnen we het daarover hebben in de commissie? Zal de maatregel op grond van die evaluatie worden herzien?
VRAAG (van de heer Laaouej)
Om het preferentiële tarief van 20 % te kunnen genieten, moet aan minstens één bedrijfsleider van de vennootschap een bezoldiging van minstens 45 000 euro of gelijk aan het bedrag van de belastbare winst – indien die lager ligt – worden uitgekeerd. Zoniet wordt er een sanctie opgelegd. Die maatregel werd het mikpunt van kritiek, onder meer vanwege de UCM, en de regering stelde een evaluatie in het vooruitzicht. Uw kabinet liet recent weten dat het resultaat van de evaluatie bekend is: zelfs mét de sanctie komt de hervorming de bedrijven ten goede. Andere regeringsleden bestempelden uw evaluatie echter als onvolledig en onvoldoende diepgaand. Is de tweede evaluatie al afgerond? Wat concludeert u daaruit? Welke regeringsleden vonden dat de eerste evaluatie onvolledig was?
VRAAG (van de heer Van Biesen)
Mijnheer de voorzitter, ik zie dat mijn vraag toegevoegd is, alhoewel beide voorgaande vragen wel over hetzelfde thema gaan, maar inhoudelijk verschillen van de mijne. Mijn detailvraag gaat over de specifieke situatie waarin de bedrijfsleider die in principe de minimumbezoldiging moet aantonen, ook ingeschreven is als werknemer in de vennootschap. Mijnheer de minister, u hebt bij de beoordeling of een vennootschap voldoet aan de minimale bezoldigingsvereiste overeenkomstig artikel 215 van het WIB 92, zoals die in het kader van de hervormde vennootschapsbelasting van toepassing is, bevestigend geantwoord op de vraag of eveneens rekening mag worden gehouden met de bezoldiging van een werknemer die daarnaast in dezelfde vennootschap ook nog een onbezoldigd mandaat uitoefent op basis van het arrest van het Arbitragehof van 16 februari 2005. Daarnaast hebt u bevestigd dat dit principe tevens van toepassing is met betrekking tot de afzonderlijke aanslag van artikel 219quinquies van het WIB 92. Bijgevolg begrijpen wij dat de afzonderlijke aanslag van artikel 219 niet verschuldigd is wanneer een onbezoldigd bestuurder binnen dezelfde vennootschap ook nog minstens een bezoldiging van 45 000 euro als werknemer ontvangt. Hieromtrent rijst echter bijkomend de vraag of het principe ook van toepassing is in een groep van verbonden entiteiten. Meer specifiek, indien men als hypothese aanneemt dat aan beide voorwaarden van artikel 219 voldaan is – de situatie waarin een persoon in een vennootschap van de groep een onbezoldigd mandaat als bedrijfsleider uitoefent, enerzijds, en in dezelfde vennootschap een bezoldiging van minstens 75 000 euro als werknemer verkrijgt, anderzijds –, mag men dan aannemen dat men ook in die situatie rekening mag houden met de toegekende werknemersbezoldiging om aan de minimale bezoldigingsvereiste van 75 000 euro te voldoen? Hieromtrent rijst nog de vraag of het principe ook van toepassing is in een groep van verbonden entiteiten waarbij de persoon bestuurder is bij de ene vennootschap en werknemer bij de andere vennootschap. Meer specifiek, opnieuw indien men als hypothese aanneemt dat aan beide voorwaarden voldaan is – de situatie waarin een persoon in een vennootschap van de groep een onbezoldigd mandaat als bedrijfsleider uitoefent, enerzijds, en in een andere verbonden vennootschap een bezoldiging van 75 000 euro als werknemer verkrijgt, anderzijds –, mag men dan aannemen dat men ook in die situatie rekening mag houden met de toegekende werknemersbezoldiging om aan de minimale bezoldigingsvereiste van 75 000 euro te voldoen?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
Ik zal eerst antwoorden op de vragen van de heren Vanden Burre en Laaouej. Ik zal daarna antwoorden op de specifieke vraag van de heer Van Biesen. De bijzondere aanslag van 5 % in het kader van de hervorming van de vennootschapsbelasting zal pas vanaf het aanslagjaar 2019 van toepassing zijn. Er kan dus pas in de tweede helft van 2019 een eerste evaluatie gemaakt worden. Wat inmiddels wel werd herbekeken, is de verhoging van de bijzondere aanslag van 5 % naar 10 % vanaf 2020 en de in de wet van 25 december 2017 gebruikte terminologie inzake de minimale bedrijfsleiderbezoldiging, die aanleiding kon geven tot verwarring. In de wet van 30 juli 2018 houdende diverse bepalingen inzake de inkomstenbelastingen werden daarom een aantal wijzigingen en verduidelijkingen aangebracht. Zo bepaalt de wet dat de afzonderlijke aanslag van 5 % niet naar 10 % zal worden verhoogd met ingang van 1 januari 2020, maar dat de bestaande 5 % behouden zal blijven. De afzonderlijke aanslag kan met andere woorden maximaal 2 250 euro bedragen. Daarnaast werd de terminologie aangepast, in die zin dat een bezoldiging van minder dan 45 000 euro volstaat op voorwaarde dat die dan minstens gelijk is aan het belastbaar inkomen van de vennootschap. Dit is de zogenaamde 50 %-regel. Die 50 %-regel dient derhalve, zoals reeds werd toegelicht en initieel duidelijk werd vermeld in de memorie van toelichting bij de wet van eind december 2017, op dezelfde wijze te worden toegepast als voorheen, namelijk toen de minimumbezoldiging nog 36 000 euro bedroeg. Met andere woorden, alleen als het belastbaar inkomen van de vennootschap, vóór aftrek van de bedrijfsleiderbezoldiging, 90 000 euro of meer bedraagt, is vereist dat er minstens een bedrijfsleiderbezoldiging van 45 000 euro wordt toegekend. Er zijn geen andere wijzigingen gepland voor de eerste evaluatie. Bij werknemers die ook bedrijfsleider zijn, wordt er rekening gehouden met hun bezoldiging als werknemer en als ze minstens 45 000 euro verdienen zal er geen bijzondere aanslag worden toegepast. In het kader van verbonden vennootschappen geldt in dat opzicht hetzelfde principe. Een onbezoldigde bedrijfsleider die in dezelfde vennootschap een bezoldiging als werknemer van minstens 75 000 euro ontvangt, voldoet eveneens aan de bezoldigingsvoorwaarden, met als gevolg dat de bijzondere bijdrage uiteraard niet verschuldigd is. In het laatste voorbeeld, waarbij een persoon onbezoldigd bedrijfs-leider van een vennootschap is en tegelijkertijd een bezoldiging als werknemer ontvangt van minstens 75 000 euro uit een andere vennootschap die behoort tot dezelfde groep, is evenwel niet voldaan aan de bezoldigingsvoorwaarden.
Gilles Vanden Burre : U haalt de teksten aan die vorig jaar werden goedgekeurd en zegt dat de evaluatie in de loop van de tweede helft van 2019 zal worden uitgevoerd, wanneer de belastingaangiften binnen zijn. Waarom hebt u dan, naar aanleiding van de vraag van Franstalige kmo-vertegenwoordigers, beloofd om deze zomer een evaluatie uit te voeren, hoewel u wist dat de cijfers nog niet beschikbaar zouden zijn? U antwoordt niet op de vraag welke gevolgen de hervorming zal hebben voor de bedrijfsleiders. Dat is niet ernstig!
Ahmed Laaouej : Er is mij iets nog niet duidelijk. U belooft een snelle evaluatie zodat de regelgeving kan worden aangepast aan de realiteit op het terrein. Tal van actoren zeggen dat het nieuwe systeem nadelig zal zijn, maar ik zie geen politieke wil om dat te verhelpen. Het verlies van het lagere tarief is al nadelig en er komt nog een boete van 5 % bovenop in verband met de minimumbezoldiging van bedrijfsleiders. Schrap dat laatste! U moet beseffen dat de kmo's niet de vijand zijn: we hebben ze nodig! De kleine kmo's kunnen de eindjes maar met moeite aan elkaar knopen. We moeten reageren, voor sommigen is 5 % veel!
Luk Van Biesen : Mijnheer de minster, ik ben uiteraard niet bepaald tevreden met uw antwoord. Ik heb de casus hier speciaal aan de kaak willen stellen om de eigenaardigheid van het hele systeem naar voren te brengen. U weet, aangezien ik dit al herhaaldelijk in de plenaire vergadering en in deze commissie heb gezegd, dat ik geen voorstander ben van het penalisatiesysteem. Ik vind de invoering van het penalisatiesysteem een gebrek aan respect voor onze kmo's en de bedrijfsleiders. Wij zijn reeds zeer tevreden met het feit dat de verhoging van 5 % naar 10 % in 2020 vervallen is. Desalniettemin zou ik nogmaals iets fundamenteels willen zeggen. De evaluatie was een mogelijkheid als dusdanig. Het is echter lastig om iets op korte termijn te evalueren. Ik zou een duidelijke inspanning willen vragen om te bekijken wat de juiste budgettaire impact is van de 5 %. Op het terrein zal het namelijk problemen teweegbrengen. Er zijn verschillende constructies, modificaties, verbonden en niet-verbonden ondernemingen… Op vele vlakken zullen systemen ontstaan waarbij men zal proberen te ontsnappen aan de penalisatie. U weet dat er carrousels ontstaan wanneer u moeilijke systemen in het leven roept. Ik voorspel dat onze administratie de handen vol zal hebben bij de controle van enkel dit punt. Wat ik net zei, beschrijft het fundamenteel verkeerde beleid dat de laatste jaren gevoerd wordt in dit land op het vlak van fiscaliteit. Wat de btw betreft, één op drie controles gaat enkel nog over de vorm. Het gaat niet meer over de inhoud, over de vraag of het wel degelijk aftrekbaar is. Nu zijn de vragen: is het op tijd gebeurd? Is het juiste formulier gebruikt? Vervolgens krijgt men een boete van 75 000 euro per regel. Wanneer een bedrijf vandaag niet genoeg inkomen kan scheppen en ervoor kiest het kapitaal binnen zijn vennootschap te houden om later investeringen te doen, kan dat niet. Wanneer een ondernemer zegt dat hij het geld nodig heeft en hij zichzelf bijgevolg in het begin geen loon gaat uitbetalen, wordt hij daarvoor gestraft. Ik blijf erbij dat heel het penalisatiesysteem een element is dat remmend zal werken op het ondernemerschap. Ik begrijp dat vele individuen overgestapt zijn naar vennootschappen. Ik begrijp tevens dat u iets diende te ondernemen om dit een halt toe te roepen. UNIZO verkondigt nu het standpunt dat personen die aan handel doen dezelfde belastingvoet moeten krijgen als de vennootschappen. Laten we meer die weg bewandelen. Ik zou, tot slot, nogmaals ernstig willen vragen om binnen uw diensten na te gaan of de penalisatie wel de moeite waard is om uit te voeren. Ik zal als eerste bereid zijn om mea culpa aan het Parlement te vragen deze eventueel reeds ingevoerde maatregel terug in te trekken. Ik wil deze taak gerust op mij nemen. Als u denkt dat de regering gezichtsverlies zal leiden met een afschaffing van de regel, wil ik dat gezichtsverlies gerust op mij nemen. Ik wil die grote geste doen om de penalisatie af te schaffen. Ik meen dat dit systeem veel meer problemen zal veroorzaken dan dat er opbrengsten zullen zijn. Er zal vooral een spanningsveld zijn. De mensen zullen de verkeerde beslissing nemen om geld uit de vennootschap te halen. Vroeger hadden wij altijd het idee: hoe meer geld er in de vennootschap blijft, hoe groter de waarborg voor de werknemers dat de bedrijfsleider in zijn bedrijf gelooft. Indertijd werd ook de notionele-intrestaftrek ingevoerd om zoveel mogelijk kapitaal in de vennootschap te houden. Nu neemt men eigenlijk een hele reeks maatregelen om zo weinig mogelijk kapitaal in de vennootschap te houden en om te zorgen voor zoveel mogelijk uitkeringen en bezoldigingen. Ik vraag u om rustig de tijd te nemen om, liefst nog voor het einde van het jaar, met een voorstel te komen om die penalisatie in te trekken.
