Parlementaire vraag nr. 1369 van de heer de Clippele van 17.01.1995
VRAAG 95/1369
Bull. nr. 750, pag. 1541
Inkomstenbelastingen - Onroerende voorheffing - Verzoek om vermindering
De eigenaar van een onroerend goed, onderworpen aan de onroerende voorheffing, verzoekt de gewestelijke directeur van de directe belastingen om vermindering van onroerende voorheffing wegens invaliditeit van de bewoner. Indien de directeur - wat zijn goed recht is - het verzoek ongegrond acht, is het dan normaal :
1. dat hij schriftelijk antwoordt dat het verzoek niet kan worden ingewilligd, zonder dat antwoord noch de vorm noch de waarde van een rechterlijke beslissing te geven;
2. dat hij zijn antwoord niet aan de verzoeker maar aan de invalide bewoner van het pand stuurt ?
ANTWOORD
1. De wet stelt voor de beslissing van de directeur of van de door hem gedelegeerde ambtenaar geen enkele vereiste inzake pleegvormen. Bijgevolg is de directeur gemachtigd om zijn beslissing op te maken in de vorm van een gewone brief.
De motiveringsplicht is evenmin onderworpen aan pleegvormen. Het volstaat dat de voorstellingswijze en de bewoordingen van de beslissing duidelijk de redenen aangeven waarom de aangevoerde eisen en grieven werden verworpen.
2. In het kader van de bezwaarprocedure bepaalt artikel 375 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) dat kennisgeving van de beslissing aan de belastingschuldige bij ter post aangetekende brief geschiedt.
Een eventueel gebrek in de kennisgeving heeft niet de nietigheid van de beslissing tot gevolg, maar die zending doet de termijn van 40 dagen om een voorziening in beroep in te leiden niet lopen.
Wanneer de beslissing een vermindering inzake onroerende voorheffing verleent omwille van de invaliditeit van de bewoner, wordt het bedrag van die vermindering eveneens ter kennis gebracht van de bewoner, die het recht heeft dit bedrag van zijn huur af te trekken krachtens artikel 259, WIB 92.
Bron: FisconetPlus
