Parlementaire vraag nr. 632 van mevrouw Pieters van 21.03.2001

VRAAG 01/632
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 125, blz. 15705-15706
Bull. nr. 833, pag. 191-193
Eénjarigheidsbeginsel - Aanslagtermijn
VRAAG
Af en toe valt het voor dat de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (sector BTW) gezamenlijk nog aanvullende grondige verificaties uitvoert, waarbij naast belastare BTW-materie tevens "reservebestanddelen" aan het licht kunnen komen die inzake vennootschapsbelasting niet waren aangegeven en derhalve normaliter niet meer kunnen worden rechtgezet binnen de gewone onderzoekstermijn en/of binnen de buitengewone driejarige aanslagtermijn, waarvan respectievelijk sprake in artikel 333, eerste en tweede lid, en in artikel 354, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
Het kan hier zowel gaan om verdoken reserves die voortkomen van onderschattingen van activa en/of van overschattingen van passiva, als om (al dan niet "bijkomende") belastbare voordelen van alle aard waarvan de bedrijfsleiders die sommen meteen als een "reservebestanddeel - tegoed op bestuurder" in het vermogen van de onderneming wensen op te nemen tijdens het recentst onderzochte boekjaar en dit door onmiddellijke boeking via hun rekening-courant.
De algemene praktische vraag rijst of alle juist voornoemde belastbare bestanddelen bij toepassing van artikel 361 WIB 1992 kunnen worden belast in één of ander recent aanslagjaar dat nog binnen de gewone of buitengewone aanslagtermijn valt waarvan sprake in artikel 354, eerste lid, van het WIB 1992?
Het lijdt geen twijfel dat een dergelijke taxatiewijze zowel voor de belastingplichtige als voor de taxatie- en invorderingsdiensten minder omslachtig is dan een eventueel betwistbare wijzigingsprocedure en een manuele inkohiering, zoals respectievelijk voorzien bij artikel 358, § 1, 4°, van het WIB 1992. Bovendien worden de rechten van de Schatkist daardoor evenmin geschaad.
De toepassing van de procedure voorzien bij artikel 358 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is overigens ook vatbaar voor discussie omwille van de gelijktijdige aanwezigheid en de daadwerkelijke medewerking van de belastingambtenaar tijdens de "gezamenlijke" of "polyvalente" BTW-verificatie buiten de onderzoeksperiode van artikel 333, eerste en tweede lid, van het WIB 1992.
Kan u terzake uw praktische en pragmatische ziens en handelwijze weergeven in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van alle beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk bestuur?
ANTWOORD
Vooreerst wens ik het geachte lid eraan te herinneren dat de fiscale wetten van openbare orde zijn en bijgevolg strikt moeten worden toegepast.
De aanslagtermijnen zijn vastgelegd, onder andere in de artikelen 354 en 358 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
Artikel 361 van hetzelfde wetboek vormt slechts een uitzondering op het eenjarigheidsbeginsel van de belasting en laat toe een bepaalde winst die bij het onderzoek van een belastbaar tijdperk wordt vastgesteld, als winst van dat belastbaar tijdperk te belasten.
In de mate van het mogelijke is het evenwel aangewezen de door het geachte lid aangehaalde artikelen 354, eerste lid en 358, § 1, 4°, WIB 1992, toe te passen teneinde het eenjarigheidsbeginsel van de belasting te eerbiedigen.
Bovendien is het uitstellen van een taxatie naar een ander aanslagjaar niet altijd zonder gevolgen voor de uiteindelijk verschuldigde inkomstenbelasting.