Parlementaire vraag nr. 378 van de heer Gevenois van 26.05.1993

VRAAG 93/378
Bull. nr. 732, pag. 3253
Vrijstelling van de onroerende voorheffing - Opcentiemen op de onroerende voorheffing
Zoals elke eigenaar moet een gemeente die eigendommen bezit, een onroerende voorheffing betalen waarvan het bedrag schommelt naargelang van de betrokken eigendommen.
In de berekening van het te betalen bedrag is het door de gemeente geheven gedeelte het grootst.
De gemeente bevindt zich in een vreemde toestand : ze moet een bedrag betalen waarvan ze lang nadien twee derden zal terugkrijgen.
Kunt u mij laten weten of de gemeenten die op hun eigen grondgebied eigenaar zijn, van de betaling van het bedrag kunnen worden vrijgesteld ?
Zo ja, kunt u mij de verwijzingen bezorgen ?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid te melden dat het kadastraal inkomen van de onroerende goederen van de gemeenten die de aard van nationale domeingoederen hebben, op zichzelf niets opbrengen en voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut worden gebruikt, krachtens artikel 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van de onroerende voorheffing is vrijgesteld.
Voor haar overige produktieve goederen zijn de gemeenten, net zoals de Staat, de Gewesten en de provincies, de onroerende voorheffing verschuldigd zoals elke andere belastingplichtige.
Artikel 10 van de wet van 15 mei 1846 op de comptabiliteit van de Staat bepaalt immers dat elke rekenplichtige aansprakelijk is voor de invordering van de kapitalen, inkomsten, rechten en belastingen waarvan de inning hem is toevertrouwd. Elke ingekohierde belasting moet verplicht aanleiding geven tot een effectieve betaling aan de ontvanger der belastingen belast met de invordering, om deze rekenplichtige toe te laten rechten aan te zuiveren in zijn comptabiliteit.
De onroerende voorheffing en haar opcentiemen, geïnd per kohier bij toepassing van artikel 365 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ontsnappen niet aan deze regel. Aldus hebben de ingekohierde aanslagen inzake onroerende voorheffing voor de produktieve onroerende goederen van de Staat steeds aanleiding gegeven tot effectieve betaling aan de ontvanger der belastingen door de administratie van de Thesaurie zowel voor de hoofdsom van de belasting die voorheen aan de Staat toekwam, als voor de bijkomende opcentiemen die aan de plaatselijke besturen toekomen.
Tenslotte moet er de aandacht op gevestigd worden dat het bedrag van de gemeenteopcentiemen die door de ontvanger der belastingen geïnd worden, naar de gemeenten worden doorgestort aan het einde van de maand volgend op die van de inning.
Uit het voorgaande blijkt dus dat het niet mogelijk is om de gemeenten vrij te stellen van de betaling van de gemeenteopcentiemen op de onroerende voorheffing met betrekking tot de produktieve onroerende goederen waarvan zij eigenaar zijn en die gelegen zijn op hun grondgebied.