Parlementaire vraag nr. 486 van mevrouw Pieters van 23.10.2000

VRAAG 00/486
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 62, blz. 6994-6996
Bull. nr. 817, pag. 1621-1624
Ontheffing van ambtswege - Bezwaarschrift
VRAAG
U heeft gesteld dat het correct was dat een vraag tot ontheffing zou kunnen worden ingediend tot "drie jaar later" (vragen nrs. 2170, 2198 en 2216, Beknopt Verslag, Kamer, 1999-2000, commissie van de Financiën, 27 juni 2000, COM 243, blz. 11 en 12).
Naar verluidt zou de klassieke Administratie der Directe Belastingen inzonderheid voor het derde jaar echter nu toch weigeren in te gaan op de verzoekschriften van loontrekkers ingediend op grond van de bepalingen van de §§ 1 en/of 3, 1°, van artikel 376 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992.
Aangezien het om een teruggave van bedrijfsvoorheffing gaat als bedoeld in de artikelen 270, 272 en 304, § 2, WIB 1992 komt het vele juristen voor dat de bepalingen van artikel 376, § 3, 1°, WIB 1992 wel kunnen worden ingeroepen.
Verder gaat het terzelfdertijd om een "dubbele belasting" in de zin van artikel 376, § 1, WIB 1992. Ten onrechte werden er aanslagen gevestigd waarbij zowel een marginaal tarief van de "personenbelasting" extra werd aangerekend als waarbij er niet verschuldigde "bedrijfsvoorheffing" werd ingehouden.
Uit het arrest nr. 132/98 van 9 december 1998 van het Arbitragehof blijkt dat het ministerie van Financiën bij de openbare terechtzitting bij monde van meester A. Gillet, advocaat bij de balie te Nijvel namens de Ministerraad, overigens betrokken en aanwezige partij was. Zodoende had uw ministerie en belastingadministratie door die rechtsgeldige mandataris op diezelfde vaste datum in 1998 in feite reeds direct kennis van de vastgestelde overbelastingen (dubbele belasting) en van de overschotten aan "bedrijfsvoorheffing".
Door de officiële publicatie in het Belgisch Staatsblad van 1 januari 2000 (blz. 76 en 77) heeft de Administratie van de Directe Belastingen en de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit die vaste datum van 9 december 1998 administratief bekrachtigd. Die richtlijnen traden onmiddellijk in werking, zelfs in elk stadium van de procedure, met inbegrip van de hangende en de toekomstige geschillen (zie voorlaatste alinea van dit bericht).
Gelieve in het licht van het geheel van de bepalingen van artikel 376 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 mee te delen om welke gegronde feitelijke en/of juridische redenen er eventueel toch geen ambtshalve ontheffing zou kunnen worden verleend voor het derde jaar?
ANTWOORD
In antwoord op de vraag van het geachte lid meen ik te moeten verduidelijken dat voor de aanslagjaren 1998 en vorige een ontheffing van ambtswege overeenkomstig artikel 376, WIB 1992 slechts mogelijk is indien op 19 maart 1999, dat wil zeggen op de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad van het arrest nr. 132/98 van 9 december 1998 van het Arbitragehof, de bezwaartermijn voor die aanslagjaren verstreken was.
Was de bezwaartermijn op 19 maart 1999 niet verstreken dan diende herziening van de aanslag te worden gevraagd via een bezwaarschrift. De bezwaarprocedure is immers de algemene regel en de ontheffing van ambtswege slechts een uitzonderingsprocedure zodat de mogelijkheden tot toepassing van die laatste procedure van strikte interpretatie zijn. Na de publicatie van het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998 in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 1999 heeft de belastingplichtige geen wettige reden meer om na de bezwaartermijn het nieuwe feit aan te voeren.
Naar het oordeel van het belastingbestuur kan voor de toepassing van artikel 376, § 1, WIB 1992, niet worden gesteld dat het belastingbestuur op 9 december 1998 in hoofde van geïndividualiseerde belastingschuldigen een overbelasting heeft vastgesteld.
Terzake gaat het ook niet om een teruggave van bedrijfsvoorheffing. Uit een vaste cassatierechtspraak volgt dat als de belasting wordt ingekohierd en verrekend met de voorheffingen en voorafbetalingen, deze voorheffingen en voorafbetalingen in die mate de aard krijgen van belastingen (zie in die zin Cass., 7 december 1972, Bulletin nr. 514, blz. 111; Cass., 4 mei 1995, A.C. 1995, deel 4, nr. 225, blz. 455; Cass., 26 maart 1998, A.C. 1998, deel 3, nr. 170, blz. 374).
Evenmin gaat het in deze aangelegenheid om een "dubbele belasting" in de zin van artikel 376, § 1, WIB 1992. Overeenkomstig eveneens vaste cassatierechtspraak veronderstelt dubbele belasting in de zin van dat artikel dat hetzelfde inkomen het onderwerp is geweest van verschillende aanslagen waarvan de ene de andere uitsluit (Cass., 1 december 1964, Bulletin nr. 423, blz. 1730; Cass., 14 december 1973, Bulletin nr. 523, blz. 2246; Cass., 14 januari 1999, A.C. 1999, deel I, nr. 25, blz. 53).
Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat inzake de vergoedingen voor arbeidsongevallen, de voorwaarden tot toepassing van de ontheffing van ambtswege op de aanslagen die betrekking hebben op de aanslagjaren 1998 en vorige, over het algemeen niet zullen aanwezig zijn.