Parlementaire vraag nr. 529 van de heer Eerdekens van 07.12.2000
VRAAG 00/529
Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 80, blz. 9062-9063
Bull. nr. 820, pag. 2676
Niet-aftrekbare interesten - DBI
VRAAG
Krachtens artikel 198, eerste lid, 10°, van het WIB 1992 wordt de interest, onverminderd de toepassing van artikel 55, niet als een beroepskost aangemerkt tot een bedrag gelijk aan dat van de krachtens de artikelen 202 tot 204 aftrekbare dividenden verkregen uit aandelen door een vennootschap welke die aandelen, op het ogenblik van hun overdracht, niet gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar heeft behouden.
1. Kan uit de analyse van artikel 198, eerste lid, 10°, van het WIB 1992 worden afgeleid dat wanneer de vennootschap aandelen (andere dan die bedoeld in artikel 198, derde lid, van het WIB 1992) overdraagt, die gedurende minder dan een jaar zijn behouden, de interesten niet worden aangemerkt als een beroepskost die in waarde overeenstemt met de dividenden (verkregen uit de voornoemde aandelen) die als definitief belaste inkomsten (DBI) aftrekbaar zijn:
a) Als het krachtens artikel 74 van het koninklijk uitvoeringsbesluit van het WIB 1992 vastgestelde resultaat (namelijk het resultaat na de eerste verrichting) negatief is? Inderdaad, artikel 198, eerste lid, 10°, van het WIB 1992 verwijst naar de dividenden die als DBI aftrekbaar zijn op grond van de artikelen 202 tot 204 van het WIB 1992, maar bepaalt niet uitdrukkelijk dat met de verrekeningsregels van het koninklijk uitvoeringsbesluit van het WIB 1992 rekening moet worden gehouden.b) Als de aandelen worden overgedragen tijdens het belastbare tijdperk volgend op het tijdperk waarin de interesten zijn uitbetaald en de dividenden zijn geïnd?c) Als de interesten worden uitbetaald tijdens het belastbare tijdperk volgend op het tijdperk waarin de dividenden zijn geïnd en de aandelen zijn overgedragen?
2. Als de vennootschap ten gevolge van de overdracht van de bovenvermelde aandelen een minderwaarde boekt, kan dan op grond van artikel 282 van het WIB 1992 worden geconcludeerd dat de roerende voorheffing die de schuldenaar van de kapitaalsinkomsten inhoudt, niet kan worden verrekend in de vennootschapsbelasting van de onderneming die de dividenden geniet?
ANTWOORD
Het antwoord op de door het geachte lid gestelde eerste vraag luidt bevestigend in de eerste twee omschreven gevallen.
Met betrekking tot de derde veronderstelling dient ontkennend te worden geantwoord.
Ik wens evenwel de aandacht te vestigen op het feit dat de bepalingen van artikel 198, eerste lid, 10°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), toepassing vinden voor het belastbare tijdperk waarin de interesten beroepskosten vormen. Dit tijdperk valt niet altijd samen met het belastbare tijdperk van de betaling van de interesten.
In antwoord op zijn tweede vraag heb ik de eer het geachte lid mee te delen dat de toepassing van artikel 198, eerste lid, 10°, WIB 1992 geen beletsel vormt voor een eventuele toepassing van artikel 282 van hetzelfde wetboek. Dienaangaande wordt eraan herinnerd dat de verrekening van de op de bedoelde dividenden ingehouden roerende voorheffing slechts kan worden geweigerd in zover de beoogde minderwaarde haar oorsprong vindt in de toekenning of de betaalbaarstelling van de betrokken dividenden.
Bron: FisconetPlus
