Parlementaire vraag nr. 701 van mevrouw Pieters van 21.05.2001

VRAAG 01/701
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 154, blz. 19703
Bull. nr. 838, pag. 1716-1722
Inzagerecht en hoorrecht inzake directe belastingen
VRAAG
In het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het totaal respect voor de rechten van de verdediging hebben het "inzagerecht" en het "hoorrecht" voor de belastingplichtige welbepaalde raakpunten.
Krachtens de bepalingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur is het inzagerecht een algemeen recht dat op elk ogenblik van de fiscale procedure kan worden uitgeoefend (zie ook het arrest van de Raad van State, nr. 66860 van 18 juni 1997).
Daarentegen kan met ingang van 1 januari 1999 overeenkomstig artikel 374, derde lid, WIB 1992 het recht om te worden "gehoord" in beginsel alleen nog worden uitgeoefend in het kader van de bezwaarprocedure.
Geplaatst tegenover de bepalingen van artikel 316, eerste zinsdeel, WIB 1992 en het administratief commentaar nr. 316/4 rijzen terzake de onderstaande "algemene" praktische vragen.
1. Inzake het gehoord worden (artikel 374, derde lid, WIB 1992-nieuw):
a) Hoe definiëren de belastingadministraties het begrip "gehoord" worden?
b) Gaat het zowel om een "hoorrecht" als om een "hoorplicht" en mogen zowel de belastingplichtigen als de geschillen-ambtenaren hierbij ook wederzijds mondeling vragen aan elkaar stellen?
c) Op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen kunnen de belastingplichtigen effectief worden verplicht schriftelijk te attesteren dat zij inderdaad werden "gehoord"?
d) Welke fiscale en/of andere administratieve of strafrechtelijke sancties kunnen aan de belastingplichtigen worden opgelegd wanneer zij terzake geen schriftelijke verklaring wensen af te leggen? Welke praktische vormvoorschriften werden door de belastingadministraties dienaangaande uitgevaardigd?
e) Op welke concrete wijze moeten de tussenkomende en gelegitimeerde belastingambtenaren, in het bezit van hun aanstellingsbewijs overeenstemmend met hun huidige graad, van een eventuele weigering van belastingplichtigen en/of van hun gevolmachtigde raadsman officieel akte nemen?
f) Welke algemene houding en/of schriftelijke reactie dienen de belastingambtenaren aan te nemen wanneer de belastingplichtigen reeds vóór het inzetten van de bezwaarprocedure wensen "gehoord" te worden of hun fiscale ziens- en handelwijze diepgaander wensen toe te lichten, dit vooral gezien in het licht van alle beginselen van een behoorlijk bestuur en naar analogie met de onderrichtingen vervat onder de nummers 316/9 en 346/46, derde lid, van het administratief commentaar op het WIB 1992?
Op welke wijze dient van dit "gehoord" worden officieel akte te worden genomen?
g) Zijn de onderzoekende en/of de beslissende geschillen-ambtenaren ter gelegenheid van het uitoefenen van het hoorrecht verplicht aan de belastingplichtige hun definitief standpunt over het bezwaarschrift reeds voorafgaandelijk kenbaar te maken of mag of moet dienaangaande steeds zonder meer het stilzwijgen worden bewaard?
Wat zegt de recente rechtspraak hieromtrent en wat zijn de huidige aanbevelingen van de administraties?
2. Inzake het inzagerecht en het recht tot kopiename (wet 11 april 1994):
a) Houdt dit in dat met de belastingplichtigen terzelfder tijd in om het even welk stadium van de onderzoeks-, taxatie- of bezwaarprocedure meteen een verdere fiscale discussie "moet" worden aangegaan of mag of moet die inzage verlenende belastingambtenaar daarentegen hierbij altijd het volstrekte stilzwijgen bewaren?
b) Op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen kunnen de belastingplichtigen worden verplicht schriftelijk te attesteren dat hun "inzage" en "kopiename" werd verleend van alle stukken uit hun belastingdossiers die het beroepsgeheim van de belastingambtenaren niet schenden?
c) Welke fiscale en/of andere administratieve of strafrechtelijke sancties kunnen aan de belastingplichtigen worden opgelegd wanneer zij terzake geen schriftelijke verklaring wensen af te leggen? Welke algemene praktische vormvoorschriften werden door de DB- en AOIF-belastingadministraties en/ of andere federale administraties dienaangaande reeds gezamenlijk uitgevaardigd?
d) Op welke concrete wijze moeten de tussenkomende belastingambtenaren, in het bezit van hun geactualiseerd aanstellingsbewijs, van een eventuele weigering van belastingplichtigen en/of van hun gevolmachtigde raadsmannen officieel akte nemen?
e) Welke klantvriendelijke houding en/of schriftelijke reactie moeten de belastingambtenaren aannemen wanneer de belastingplichtigen ter gelegenheid van die "inzage" en die "kopiename" tevens de expliciete wens hebben uitgedrukt ook behoorlijk te worden "gehoord"?
3. Dient bij een laattijdig of een ongeldig bezwaarschrift, waarbij naderhand de bepalingen van artikel 376, WIB 1992 moeten worden toegepast (zie Com.IB nr. 375/25) het "hoorrecht" eveneens worden verleend?
4. Mag zowel het "inzagerecht" als het "hoorrecht" eveneens worden uitgeoefend ten huize van de belastingplichtige (natuurlijk persoon) of op de maatschappelijke zetel of exploitatiezetel van de betrokken vennootschappen, dit onder meer gezien in het licht van de bepalingen van de artikelen 315 en 374, eerste lid, WIB 1992?
5. Kan u, punt per punt, uw algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de bepalingen van zowel artikel 32 van de Grondwet, de algemene wet van 11 april 1994, artikel 374, eerste en derde lid, als van alle algemene beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk openbaar bestuur?
ANTWOORD (29.01.2003)
Hierbij gaan de antwoorden op de vragen.
1. a) De bezwaarindiener krijgt de mogelijkheid om zijn zienswijze betreffende de taxatie mondeling uiteen te zetten aan de ambtenaar die belast is met het onderzoek van het bezwaarschrift.
b) In de zin dat de bezwaarindiener over een hoorrecht beschikt kan worden gesteld dat het belastingbestuur een hoorplicht heeft. Die verplichting blijkt trouwens uit artikel 374, derde lid, WIB 1992. Het lijkt mij logisch om elkaar vragen te stellen om te voorkomen dat het om een schijnvertoning zou gaan.
c) Aangezien de administratie ertoe kan gehouden zijn te bewijzen dat de bezwaarindiener werd gehoord, wordt de bezwaarindiener verzocht een document te ondertekenen waarbij hij erkent gehoord te zijn geweest.
d) Daar het geen verplichting betreft zijn er ook geen sancties voorzien.
e) Aangezien de administratie ertoe kan gehouden zijn te bewijzen dat de bezwaarindiener werd gehoord, is het aangewezen in een gedagtekend en ondertekend geschrift akte te nemen van het feit dat de bezwaarindiener gehoord werd alsook van het feit dat deze geweigerd heeft te attesteren dat hij gehoord werd.
f) Artikel 374, WIB 1992, situeert het recht om te worden gehoord in de bezwaarprocedure. Op een vraag om inlichtingen (artikel 316, WIB 1992) moet in elk geval schriftelijk worden geantwoord binnen de wettelijke of verlengde termijn om rechtsgeldig te zijn. Dat is eveneens het geval voor het antwoord op een bericht van wijziging (artikel 346, WIB 1992). Dat neemt niet weg dat de belastingplichtige steeds om een onderhoud met de taxatieambtenaar kan verzoeken.
g) De bedoeling van het horen is de bezwaarindiener de kans te geven om zijn zienswijze betreffende de taxatie uiteen te zetten. Die mondelinge toelichting zal de ambtenaar belast met het onderzoek van het bezwaarschrift moeten toetsen aan de feiten die in het dossier voorkomen en aan de belastingwet. Het zou dus voorbarig zijn een definitief standpunt in te nemen onmiddellijk nadat de belastingplichtige is gehoord.
2. a) Het inzagerecht en het recht tot kopiëren verplichten niet tot het aangaan van een discussie ten gronde.
b) Aangezien de administratie ertoe kan gehouden zijn te bewijzen dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, wordt de belastingplichtige verzocht een document te ondertekenen waarbij hij erkent inzage te hebben verkregen en kopieën te hebben ontvangen.
c) Daar er geen verplichting is, zijn er ook geen sancties voorzien.
d) Aangezien de administratie ertoe kan gehouden zijn te bewijzen dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, is het aangewezen om in een gedagtekend en ondertekend geschrift akte te nemen van het feit dat de belastingplichtige inzage heeft gekregen en kopieën heeft ontvangen alsook van het feit dat deze geweigerd heeft te attesteren dat hij inzage heeft gekregen en kopieën heeft ontvangen.
e) De vraag om te worden gehoord kadert in de bezwaarprocedure en moet schriftelijk worden gedaan in het bezwaarschrift. De vraag tot inzage en kopiëren van het dossier kan worden uitgeoefend buiten de bezwaarprocedure maar moet eveneens schriftelijk worden gedaan. Op een mondelinge vraag om te worden gehoord moet wettelijk niet worden ingegaan.
3. Het antwoord is bevestigend.
4. Inzage van een dossier gebeurt overeenkomstig artikel 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur in de kantoren van de belastingdienst. Ik verwijs het geachte lid naar het antwoord op haar vraag nr. 475 van 10 oktober 2000 gepubliceerd in het bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 2000-2001, nr. 80, blz. 9055-9058.
Zo ook wordt de bezwaarindiener gehoord in het kantoor van de ambtenaar die belast is met het onderzoek van het bezwaarschrift en die over het dossier beschikt.