Parlementaire vraag nr. 28 van de heer Jan Jambon van 09.09.2010
Parlementaire vraag nr. 28 van de heer Jan Jambon dd. 09.09.2010
Fiscaal attest
Gezamenlijk belastbaar inkomen
Natuurlijk persoon
VRAAG
Voor het verkrijgen van allerlei subsidies of tegemoetkomingen moet de aanvrager meestal een fiscaal attest binnenleveren waaruit kan afgeleid worden of hij al dan niet recht heeft op de beoogde subsidie of tegemoetkoming. Bij het afleveren van een fiscaal attest door uw diensten wordt meestal enkel verwezen naar het Gezamenlijk Belastbaar Inkomen (GBI) zonder enige verdere toelichting of verduidelijking naar de oorsprong van de inkomsten, immers het GBI wordt op verschillende wijzen berekend. Laat mij dit illustreren met een voorbeeld. Om in aanmerking te komen voor een bepaalde tegemoetkoming mag het GBI niet meer bedragen dan 26.000 euro. Zowel persoon Y als persoon X doen een aanvraag voor de tegemoetkoming, beide personen hebben eenzelfde netto-inkomen en genieten dezelfde fiscale aftrekken. Persoon Y en zijn echtgenote genieten beroepsinkomsten en hebben deze als volgt aangegeven op hun belastingaangifte: code 1250: 26.455,44 euro; code 2250: 916,20 euro; code 1257: 5,00 euro; code 2257: 5,00 euro; code 1286: 4.474,28 euro en code 1394: 675,00 euro. Persoon X en zijn echtgenote genieten pensioeninkomsten en hebben deze als volgt aangegeven op hun belastingaangifte: code 1228: 26.455,44 euro; code 2228: 916,20 euro; code 1223: 5,00 euro; code 2223: 5,00 euro; code 1225: 4.474,28 euro en code 1394: 675,00 euro. Volgens de FOD Financiën bedraagt het Gezamenlijk Belastbaar Inkomen van persoon Y 23.802,19 euro en bedraagt het GBI van persoon X 26.687,24 euro. Hoewel beide personen dezelfde netto-inkomsten genieten zal persoon Y in dit voorbeeld wel in aanmerking komen voor een tegemoetkoming aangezien volgens het attest van de FOD Financiën het GBI van betrokkene (Y) 23.802,19 euro bedraagt terwijl persoon X niet in aanmerking komt voor de tegemoetkoming aangezien volgens het attest van de FOD Financiën het GBI van betrokkene (X) 26.687,24 euro bedraagt.
1. Hoe verklaart u deze verschillende berekeningen?
2. Welke maatregelen zal u nemen om deze ongelijkheid in berekening teniet te doen ?
ANTWOORD
1. Onder "gezamenlijk belastbaar inkomen" moet worden verstaan, het belastbaar inkomen verminderd met de inkomsten die tegen afzonderlijke aanslagvoeten worden belast overeenkomstig artikel 171 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92). Het feit dat in het door het geachte lid aangehaalde voorbeeld de som van de gezamenlijk belastbare inkomens van persoon X en zijn echtgenote hoger is dan die van persoon Y en zijn echtgenote, houdt verband met de aard van de inkomsten welke die personen hebben verkregen (pensioenen versus gewone bezoldigingen van werknemers). Overeenkomstig artikel 51 van het WIB 92 worden de aftrekbare beroepskosten met betrekking tot gewone bezoldigingen van werknemers, bij gebrek aan bewijzen, immers forfaitair bepaald. Dat geldt niet voor pensioenen, wat inzonderheid te verklaren is door het feit dat er voor het verkrijgen of behouden van pensioenen in de regel weinig of geen kosten moeten worden gemaakt. Als dat toch het geval is, kunnen de kosten waarvan de belastingplichtige de echtheid en het bedrag verantwoordt, wel overeenkomstig artikel 49 van het WIB 92 van de pensioenen worden afgetrokken. Inzake inkomstenbelastingen is het enige doel van de vaststelling van het gezamenlijk belastbaar inkomen, het bepalen van de grondslag voor de berekening van de belasting. Het feit dat de som der gezamenlijk belastbare inkomens van de heer X en zijn echtgenote hoger is dan die van de heer Y en zijn echtgenote, betekent echter niet dat het echtpaar X ook meer belasting verschuldigd is dan het echtpaar Y. Integendeel, de belastingstaat die voor aanslagjaar 2010 door het echtpaar X verschuldigd is, bedraagt slechts 2.484,34 euro tegenover 3.585,78 euro voor het echtpaar Y. Ook dat houdt verband met de aard van de verkregen inkomsten. Het is immers een gevolg van de toepassing van de in artikel 147, eerste lid, 1°, WIB 92, bedoelde vermindering voor pensioenen en andere vervangingsinkomsten, waar gewone bezoldigingen van werknemers geen recht op geven. Het geachte lid vergelijkt dus situaties die geenszins vergelijkbaar zijn aangezien persoon Y onvermijdelijk kosten moet maken om zijn belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en zijn beschikbaar inkomen, dit wil zeggen zijn inkomen na belasting, aanzienlijk lager is dan dat van persoon X.
2. De problemen met betrekking tot het gebruik door een aantal instanties van het gezamenlijk belastbaar inkomen als (enig) criterium voor de toekenning van bepaalde tegemoetkomingen, vallen buiten het bestek van mijn bevoegdheden.
