Parlementaire vraag nr. 181 van de heer Hatry van 24.01.1997

VRAAG 97/181

Vraag nr. 181 van de heer Hatry dd. 24.01.1997

Vr. en Antw., Senaat, nr. 1-40, 1996-1997, blz. 1969-1970

Wederbeleggingstermijn - Meerwaarden.

De wettelijke bepalingen zijn vrij onrechtvaardig ten aanzien van belastingplichtigen die een meerwaarde hebben "moeten" verzilveren als gevolg van een onvrijwillige gebeurtenis (onteigening, schadegeval, ...) als men hun toestand vergelijkt met die van belastingplichtigen die een meerwaarde hebben verwezenlijkt door een "vrijwillige" overdracht van goederen die reeds meer dan vijf jaar de aard van vaste activa hebben.

Immers, in geval van immunisering van de meerwaarde, mits ze wordt herbelegd in een gebouwd onroerend goed, werd de termijn voor herbelegging als volgt vastgesteld :

  • in geval van gedwongen meerwaarde (artikel 47, § 1, 1°, WIB 92), binnen een termijn van drie jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen (artikel 47, § 3, 1°).

Voorbeeld : in geval van onteigening op 15 december 1994 van een goed dat aan een vennootschap toebehoort die haar boekjaar afsluit op 31 december, verstrijkt de herbeleggingstermijn op 31 december 1997.

  • in geval van meerwaarde als gevolg van een vrijwillige overdracht van goederen die sedert meer dan vijf jaar de aard van vaste activa hebben (artikel 47, § 1, 2°, WIB 92), binnen een termijn van vijf jaar vanaf de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt (artikel 47, § 4).

Voorbeeld : in geval van eigendomsoverdracht op 15 december 1994 van een goed dat aan een vennootschap toebehoort die haar boekjaar afsluit op 31 december, verstrijkt de herbeleggingstermijn op 31 december 1998.

Dat betekent dat wie als het ware slachtoffer geworden is van beslissingen van een derde (onteigening) of van het toeval (schadegeval) verplicht wordt om sneller te herbeleggen in een gebouw dan wie vrijwillig zijn goed heeft vervreemd.

Waarom geldt de verlenging van de termijn met twee jaar in geval van herbelegging in gebouwde onroerende goederen (artikel 47, § 4) enkel voor meerwaarden die vrijwillig verwezenlijkt worden en niet voor alle meerwaarden ?

Wil de geachte minister hierin geen verandering brengen ?

ANTWOORD

Inzake vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden vangt de in artikel 47, § 4, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), bepaalde termijn van vijf jaar aan :

  • ofwel, op de eerste dag van het belastbare tijdperk waarin de meerwaarde is verwezenlijkt;
  • ofwel, op de eerste dag van het voorlaatste belastbare tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat.

Wat de gedwongen meerwaarden betreft, verstrijkt de in artikel 47, § 3, 1°, WIB 92 gestelde termijn drie jaar na het einde van het belastbare tijdperk waarin de schadevergoeding is ontvangen. De datum waarop de onteigening heeft plaatsgehad, met name 15 december 1994 in het door het geachte lid aangehaalde geval, laat derhalve niet toe de datum te bepalen waarop de herbeleggingstermijn verstrijkt.

Dienaangaande wordt nog verduidelijkt dat de wederbeleggingstermijn begint te lopen (zonder de einddatum te vervroegen) vanaf de datum van het schadegeval en, in geval van onteigening, vanaf de datum van de akte waarbij de onteigenende instantie aan de eigenaar voor de eerste maal haar voornemen kenbaar heeft gemaakt het te onteigenen goed te willen verwerven.

Rekening houdende met het tijdsverloop tussen die datum en de ontvangstdatum van de schadevergoeding, is de wederbeleggingstermijn voor gedwongen meerwaarden doorgaans ten minste gelijk aan die welke, ingeval van wederbelegging in een gebouwd onroerend goed, geldt voor vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden.

Ik zie derhalve geen reden om artikel 47, WIB 92 te wijzigen in de door het geachte lid voorgestelde zin.