Parlementaire vraag nr. 370 van de heer Jean-Marc Nollet van 29.05.2015

Parlementaire vraag nr. 370 van de heer Jean-Marc Nollet dd. 29.05.2015

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2015-2016, QRVA 54/062 dd. 15.02.2016, blz. 255

Fiscale gevolgen voor bepaalde gepensioneerden

VRAAG

In mei 2015 werd het vakantiegeld voor gepensioneerden opgetrokken met toepassing van het akkoord over de besteding van de welvaartsenveloppe. Die maatregel heeft evenwel gevolgen op fiscaal vlak. Blijkbaar komt een aantal gepensioneerden ten gevolge van die verhoging in een hogere belastingschijf terecht.

1. Heeft uw administratie een idee van de omvang van die problematiek in het hele land ?

2. Wat hebt u ondernomen opdat die personen de verhoging effectief netto zouden krijgen ? Welke correctiemaatregelen hebt u genomen ?

ANTWOORD

De verhoging van het vakantiegeld vanaf mei 2015 geldt voor alle gerechtigden op een pensioen als werknemer, ook voor de hogere pensioenen. Die inkomensverhoging wordt in beginsel onderworpen aan de heffing van inkomstenbelastingen, zodat de verhoging geen nettoverhoging zal zijn, behalve voor de laagste inkomens. Voor een aantal pensioengerechtigden kan de fiscale afroming echter zeer hoog oplopen. Zoals ik in mijn antwoord op de vragen van de heren Vanvelthoven en Vercamer in de plenumvergadering van 21 mei 2015 reeds heb aangegeven (CRIV 54 PLEN 047, p. 25-26), gaat het met name om gepensioneerden die als alleenstaande worden belast, geen andere gezamenlijk belastbare inkomsten dan pensioenen of vervangingsinkomsten verkrijgen en, eventueel door de verhoging van het vakantiegeld, binnen het toepassingsgebied vallen van de bijkomende vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten als vermeld in artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Die bijkomende belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten heeft hoofdzakelijk tot doel te vermijden dat iemand die enkel een beperkte sociale uitkering geniet, in dit geval een pensioen, hierop belasting moet betalen. Die belasting zou het bedrag van zijn uitkering immers nog verder uithollen. Hiertoe wordt voor inkomens tot een bepaald referentie-inkomen bovenop de gewone belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten een bijkomende belastingvermindering verleend die de personenbelasting op het gezamenlijk belastbaar inkomen terugbrengt tot nul. Voor aanslagjaar 2016 bedraagt dit referentie-inkomen zowat 15.500 euro. Voor inkomens die het referentie-inkomen overschrijden, wordt de personenbelasting door de bijkomende vermindering teruggebracht tot het verschil tussen het netto gezamenlijk belastbaar inkomen uit pensioenen en het referentie-inkomen. Terwijl een dergelijke bepaling toelaat om de belastingvermindering toe te spitsen op hen die ze het meeste nodig hebben, heeft ze wel als gevolg dat de effectieve marginale aanslagvoet voor deze gepensioneerden hoog kan oplopen. Door de heffing van gemeentelijke en agglomerationele opcentiemen op de nog verschuldigde personenbelasting kan het netto-inkomen na belastingen bovendien iets lager zijn dan vóór de verhoging van het vakantiegeld. Dit probleem is allesbehalve nieuw en wordt bij elke welvaartsaanpassing van de pensioenen aangekaart. Mijn administratie onderzoekt momenteel hoe er eventueel een structurele oplossing voor kan worden geboden. Ik beschik niet over precieze gegevens over het aantal belastingplichtigen dat door deze problematiek getroffen wordt.