Parlementaire vraag nr. 44 van de heer Hatry van 19.01.1996

VRAAG 96/044
Bull. nr. 762, pag. 1323
Onroerende voorheffing - Bevrijdend karakter - Loopbaanpacht.
Volgens de circulaire RH.221/404.202 van 30 mei 1989 zijn de interesten van schulden, die betrekking hebben op onroerende goederen, die niet in de belastbare basis zijn begrepen niet aftrekbaar van de inkomsten van andere in de belastbare basis opgenomen onroerende goederen. Het betreft inzonderheid onroerende goederen, die het voorwerp uitmaken van een loopbaanpacht (art. 12, § 2, WIB).
In de administratieve bepalingen van 687/07.89, blz. 1415 staat het volgende onder nr. 16: "Overeenkomstig artikel 8bis nieuw WIB zijn de inkomsten uit onroerende goederen onder loopbaanpacht volledig van personenbelasting vrijgesteld." Dit zou moeten betekenen dat noch de pacht, noch het kadastraal inkomen dient te worden aangegeven. Deze onroerende goederen blijven weliswaar aan de onroerende voorheffing onderworpen en deze onroerende voorheffing mag in geen geval met de personenbelasting verrekend worden, aangezien de ermede verband houdende inkomsten niet in de belastbare grondslag begrepen zijn.
De fiscale administratie schijnt niet te vinden te zijn voor een andere interpretatie van de bestaande wet of rechtspraak, omdat dit te kostelijk zou uitvallen door de verminderde ontvangsten, die niettegenstaande een preciese argumentatie van Fiskoloog die wordt voorgesteld in de nummers 231, bladzijden 1 en 2, 256, bladzijden 4 tot 7, en 269 bladzijden 4 tot 6 van het tijdschrift.
Volgende opmerkingen dienen gemaakt te worden:
1. Bij de parlementaire voorbereiding heeft men een fiscaal voordeel willen toekennen aan belastingplichtigen, die aan landbouwers bestaanszekerheid geven tot 65 jaar, en hoegenaamd zeker geen fiscaal nadeel door de aftrekbaarheid van de interesten te verbieden.
2. Artikel 14, WIB, onder andere, stipuleert dat de interesten aftrekbaar zijn, zonder er aan toe te voegen "in de mate dat de kadastrale inkomens in de belastbare basis zijn aangegeven". Men moet dus niet strenger zijn dan de wet.
3. Artikel 12, WIB, stipuleert dat de onroerende voorheffing dient te worden betaald. Uit verschillende arresten blijkt nu dat de onroerende voorheffing een belasting is, bijgevolg een belasting betaald op inkomsten van onroerende goederen die het voorwerp uitmaken van een loopbaanpacht. De bewering van de administratie dat de loopbaanpacht volledig van personenbelasting is vrijgesteld, is bijgevolg niet juist.
4. Het argument van de administratie, dat de onroerende voorheffing bij de loopbaanpacht niet mag worden verrekend met de personenbelasting aangezien de ermede verband houdende inkomsten niet in de belastbare grondslag zijn begrepen, is sinds 1 januari 1994 niet meer terzake dienend, aangezien vanaf de inkomsten 1994 helemaal geen verrekening meer mag gebeuren tenzij voor eigen woonhuis.
5. In het nadeel van de belastingplichtige valt het feit uit dat dergelijke toestanden relatief zelden voorkomen, hetgeen echter geen reden is om tot een onbillijke taxatie over te gaan, in strijd met de geest van de wet.
Mag ik de geachte minister vragen deze situatie aan een onderzoek te onderwerpen en mij het resultaat ervan mede te delen ?
ANTWOORD
Artikel 43 van de wet van 7 november 1988, tot wijziging van de wetgeving betreffende de pacht en de beperking van de pachtprijzen, heeft een nieuw artikel 8bis in het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB) ingevoegd.
Volgens dit artikel - het huidige artikel 12, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) - zijn de inkomsten van de in België gelegen onroerende goederen die bij loopbaanpacht worden verhuurd, vrijgesteld van personenbelasting.
Die vrijstelling is van toepassing op de vanaf 16 december 1988 uit loopbaanpacht verkregen inkomsten.
Overeenkomstig het toen reeds bestaande artikel 137 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB (het huidig artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 92) is de onroerende voorheffing slechts verrekenbaar met de personenbelasting voor zover zij betrekking heeft op inkomsten die in de belastbare grondslag van deze belasting zijn opgenomen.
Bij de invoering van de vrijstelling van de inkomsten uit loopbaanpacht, heeft de wetgever het niet nodig geacht een uitzondering op dit algemeen principe in te voeren. Bijgevolg kan de onroerende voorheffing met betrekking tot de onroerende goederen onder loopbaanpacht reeds vanaf de invoering van de vrijstelling niet met de personenbelasting worden verrekend.
De verwijzing door het geachte lid naar de argumentatie gepubliceerd in persartikels naar aanleiding van de administratieve commentaar op artikel 9, eerste en tweede lid, van de hervormingswet van 7 december 1988, inzake de interestaftrek, dat van toepassing is met ingang van het aanslagjaar 1990 (het huidig artikel 14, WIB 92), is dus voor de verrekening van de onroerende voorheffing in verband met onroerende goederen onder loopbaanpacht niet relevant.
Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar de wijziging die artikel 21 van de wet van 30 maart 1994, tot uitvoering van het globaal plan op het stuk van de fiscaliteit, met ingang van het aanslagjaar 1995, aan artikel 277, WIB 92, in verband met de verrekening van de onroerende voorheffing, met betrekking tot de eigen woning heeft aangebracht.
Ook de verwijzing naar arresten waarin de onroerende voorheffing als belasting wordt aangemerkt, is niet dienend, aangezien die arresten geen betrekking hebben op de verrekening van onroerende voorheffing maar op de notie belasting in de zin van artikel 308, WIB (het huidig artikel 418, WIB 92) voor de toepassing van moratoriuminteresten.
Wat tenslotte de interestaftrek betreft, wil ik het geachte lid erop wijzen dat uit artikel 14, WIB 92 duidelijk blijkt dat de interesten slechts aftrekbaar zijn, mits ze betrekking hebben op schulden betreffende onroerende goederen waarvan de inkomsten in de aanslagbasis van de personenbelasting begrepen zijn.
Gelet op wat voorafgaat zie ik geen reden om een initiatief te nemen met het oog op een wetswijziging van het belastingstelsel in verband met de inkomsten uit loopbaanpacht.