Parlementaire vraag nr. 389 van de heer Devlies van 13.05.2004

VRAAG 04/389
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 105, blz. 19212-19214
Bedrijfsvoorheffing - Verrekening - Doorstorting - Voordeel van alle aard
VRAAG
Overeenkomstig artikel 270, WIB 1992, dienen de werkgevers de bedrijfsvoorheffing op de lonen in te houden en in regel door te storten aan de Schatkist.
1. Wiens eigendom is de niet ingehouden bedrijfsvoorheffing ?
2. Wiens eigendom is de ingehouden maar niet doorgestorte bedrijfsvoorheffing ?
3. Wiens eigendom is de ingehouden en doorgestorte bedrijfsvoorheffing :
a) vóór het vestigen van de aanslag;
b) na het vestigen van de aanslag;
c) na het verstrijken van de aanslagtermijnen indien geen aanslag werd gevestigd ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 10.01.2006)
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden te vinden op de door hem gestelde vragen met betrekking tot de bedrijfsvoorheffing.
1 en 2. Overeenkomstig artikel 270, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) is de bedrijfsvoorheffing verschuldigd door de in de artikelen 3, 179 of 220, WIB 1992 vermelde belastingplichtigen die als schuldenaar, bewaarder, mandataris of tussenpersoon in België of in het buitenland in artikel 30, 1° en 2°, WIB 1992 bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen betalen of toekennen, evenals de in artikel 227, WIB 1992 vermelde nietinwoners voor wie de in artikel 30, 1° en 2°, WIB 1992 bedoelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen die ze in België of in het buitenland betalen of toekennen, beroepskosten zijn in de zin van artikel 237, WIB 1992.
Overeenkomstig artikel 272, 1°, WIB 1992 hebben, behoudens strijdig beding, de in artikel 270, 1°, 3° en 6°, WIB 1992 vermelde belastingschuldigen het recht op de belastbare inkomsten de desbetreffende voorheffing in te houden.
Gelet op het voorgaande is de schuldenaar van de bezoldigingen (doorgaans de werkgever) dus verplicht de bedrijfsvoorheffing te storten, maar is hij niet noodzakelijk verplicht om die bedrijfsvoorheffing ook in te houden.
De niet ingehouden bedrijfsvoorheffing moet echter als een onrechtstreeks voordeel aan het brutobedrag van de inkomsten worden toegevoegd (zie nr. 272/3 van de administratieve commentaar op het WIB 1992).
Overeenkomstig artikel 296, eerste lid, WIB 1992, wordt met de belasting, eventueel verminderd met de onroerende voorheffing, de roerende voorheffing, het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting en het belastingkrediet, het bedrag van de geheven bedrijfsvoorheffing verrekend.
Ingevolge artikel 400 van de programmawet van 24 december 2002 wordt artikel 296, WIB 1992, aangevuld met het volgende lid : «De geheven bedrijfsvoorheffing is :
  • de overeenkomstig artikel 272 ingehouden bedrijfsvoorheffing;
  • de niet ingehouden bedrijfsvoorheffing die werkelijk in de Schatkist wordt gestort.»
Gelet op het voorgaande mag de ingehouden bedrijfsvoorheffing steeds worden verrekend, ongeacht of die bedrijfsvoorheffing al dan niet is doorgestort of betaald. De niet ingehouden bedrijfsvoorheffing mag echter alleen worden verrekend indien die bedrijfsvoorheffing ook werkelijk in de Schatkist werd gestort.
3.
a)
De volgens de wettelijke normen ingehouden en doorgestorte bedrijfsvoorheffing behoort tot het vermogen van de belastingplichtige op wiens inkomsten die inhouding werd gedaan.
b)
Door de vestiging van de aanslag in hoofde van de belastingplichtige die de in artikel 30, 1° en 2°, WIB 1992 beoogde inkomsten heeft genoten, wordt de ingehouden en doorgestorte bedrijfsvoorheffing verrekend met de verschuldigde belasting en is die voorheffing die door de vestiging van de aanslag haar karakter van voorheffing heeft verloren, behoudens betwisting van de aanslag, definitief aan de Schatkist toegewezen.
c)
Indien geen tijdige aanslag is gevestigd in hoofde van de belastingplichtige die de in artikel 30, 1° en 2°, WIB 1992 beoogde inkomsten heeft genoten, heeft de ingehouden en doorgestorte bedrijfsvoorheffing geen toewijzing gekregen, is zij tot het vermogen van de voormelde belastingplichtige blijven behoren en is de Staat verplicht tot teruggave van die voorheffingen aan diezelfde belastingplichtige.