Parlementaire vraag nr. 3-3437 van de heer Brotcorne van 30.09.2005
Parlementaire vraag nr. 3-3437 van de heer Brotcorne dd. 30.09.2005
Vragen en Antwoorden, Senaat, 2005-2006, nr. 3-58, blz. 5227-5230
Liquidatie- en inkoopboni - Roerende voorheffing - Personenbelasting - Arbitragehof
VRAAG
Bij de liquidatie van een Belgische onderneming werd het overschot van het maatschappelijk kapitaal dat nog moet worden uitgekeerd, de zogenaamde liquidatie-uitkeringen, vóór de inwerkingtreding van de hervorming van de vennootschapsbelasting als een uitgekeerd dividend beschouwd. Die gelijkstelling gold echter alleen voor de vennootschapsbelasting.
Deze dividenden waren vrijgesteld van zowel roerende voorheffing als personenbelasting. Hierdoor was er een verschillende belastingregeling voor de sommen die verdeeld werden onder de aandeelhouders of vennoten naargelang ze afkomstig waren uit een actieve vennootschap of een vennootschap in liquidatie. Dit systeem gaf aanleiding tot het ontbinden van vennootschappen om louter fiscale redenen.
De wetgever heeft hierop gereageerd door de liquidatieuitkeringen aan een roerende voorheffing van 10% en ook aan de personenbelasting te onderwerpen, in principe tegen hetzelfde percentage.
Ondanks de waarschuwingen van de Raad van State werd de nieuwe roerende voorheffing retroactief toegepast. Het nieuwe stelsel werd pas op 31 december 2002 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, maar de regering hief de roerende voorheffing vanaf 1 januari 2002.
Het Arbitragehof vernietigde de retroactiviteit, met als gevolg dat de roerende voorheffing van 10 %, maar van toepassing is voor de inkomsten die vanaf 1 januari 2003 worden verdeeld. De belastingplichtige kan terugbetaling vragen van de roerende voorheffing op de inkomsten die vroeger werden verdeeld.
Ik heb vernomen dat de belastingplichtigen die van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt en die de roerende voorheffing terugbetaald kregen, intussen een bericht hebben gekregen met de opmerking dat ze de betreffende inkomsten niet hebben aangegeven.
Als geen roerende voorheffing voor 2002 moet worden betaald, dan moet de belastingadministratie ervan uitgaan dat de wetgever deze inkomsten in principe als niet-belastbaar beschouwt voor de personenbelasting van datzelfde jaar.
Bevestigt de geachte minister deze situatie? Met andere woorden, kan hij me preciseren welke aangifteplicht niet werd nageleefd als er geen roerende voorheffing verschuldigd was ? Moeten de inkomsten waarvoor geen roerende voorheffing verschuldigd is worden aangegeven in de personenbelasting ? Zo ja, waarom ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën)
De Wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken (hierna de W 24 december 2002), heeft de belastbaarheid als dividend ingevoerd van uitkeringen in geval van vereffening en verkrijging van eigen aandelen evenals de onderwerping van die inkomsten aan een roerende voorheffing van 10% en dit voor de inkomsten die worden toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2002.
In zijn arrest nr. 109/2004 van 23 juni 2004 heeft het Arbitragehof evenwel artikel 32, § 1, 1e lid, W 24 december 2002, vernietigd in zoverre het de vereffenings- en verkrijgingsuitkeringen die werden toegekend of betaalbaar gesteld vóór 1 januari 2003 onderwerpt aan de roerende voorheffing om reden dat de terugwerkende kracht die werd verleend aan de nieuwe bepalingen met betrekking tot de roerende voorheffing niet verantwoord was.
Het Arbitragehof heeft evenwel noch de artikelen 2 tot 5, W 24 december 2002 vernietigd, wat betreft de invoering van de belastbaarheid als dividend van uitkeringen in geval van vereffening en verkrijging van eigen aandelen (hierna de vereffeningsuitkeringen), noch de inwerkingtreding vernietigd van de bepalingen die deze belastbaarheid invoeren, met name de artikelen 18, 1e lid, 2° ter en 171, 2°, f, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna het WIB 92), zoals ingevoerd door de voormelde W 24 december 2002.
Het voormelde arrest doet dus geen afbreuk maar bevestigt, ten name van belastingplichtigen die aan de personenbelasting onderworpen zijn, het belastbare karakter van vereffeningsuitkeringen die aan hen werden betaald of toegekend vanaf 1 januari 2002 (voor zover, wanneer het gaat om verrichtingen zoals bedoeld in artikel 209, WlB1992, de vereffening niet is afgesloten vóór 25 maart 2002).
Bijkomend kan ik meedelen dat de bepalingen van artikel 313, WIB 92, die in een vrijstelling voorzien van de verplichting om bepaalde inkomsten uit kapitalen en roerende goederen aan te geven, door bepaalde belastingplichtigen worden ingeroepen teneinde de belastbaarheid in de personenbelasting te vermijden van de vereffeningsuitkeringen die werden toegekend tijdens het jaar 2002, zich baserend op het feit dat het hiervoor bedoelde arrest tot gevolg heeft dat de vrijstelling wordt heringevoerd van de roerende voorheffing met betrekking tot vereffeningsuitkeringen van Belgische oorsprong, bedoeld in artikel 264, 1e lid, 2°, WIB1992, zoals de tekst was opgesteld vóór de wijziging ervan door de W 24 december 2002.
Ik kan die analyse niet bijtreden.
Ten eerste moet erop worden gewezen dat door vereffeningsuitkeringen die werden toegekend tijdens het jaar 2002 te beschouwen als zijnde niet belastbaar in de personenbelasting op basis van het arrest van 23 juni 2004 van het Arbitragehof, dit indruist tegen de wil van het Hof zoals het blijkt uit de motivering die werd uiteengezet in het bedoelde arrest. Op geen enkel moment heeft het Hof het belastbare karakter van die uitkeringen in vraag gesteld wat betreft de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de inkomstenbelastingen. Integendeel, het Hof bevestigt de afwezigheid van een terugwerkende kracht van de wettelijke wijzingen die werden getroffen om die inkomsten te belasten.
Ten tweede blijkt het dat artikel 264, 1e lid, 2°, WIB1992, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan door de W 24 december 2002, zonder voorwerp was, aangezien vóór de inwerkingtreding van die wet, artikel 21, 2°, WIB 92 voorzag dat de vereffeningsuitkeringen van Belgische of buitenlandse oorsprong, geen belastbare inkomsten van roerende goederen en kapitalen vormden zodat de vraag inzake de roerende voorheffing (en bijgevolg ook de vrijstelling ervan) zonder voorwerp was.
Het lijkt er dus op dat het bedoelde arrest van het Arbitragehof enkel in die zin kan worden begrepen dat het de inwerkingtreding van artikel 269, 1e lid, 2° bis, WIB 92 vernietigt voor de inkomsten die werden toegekend of betaalbaar gesteld vóór 1 januari 2003 en niet in de zin dat voor de inkomsten die betaalbaar werden gesteld tijdens het jaar 2002, het oude artikel 264, 1e lid, 2°, WIB 92 wordt heringevoerd. Inderdaad, een andere redenering zou ertoe kunnen leiden dat aan artikel 264, 1e lid, 2°, WIB 92, die tot dan geen betekenis had, eventueel een draagwijdte wordt gegeven die erop neerkomt dat voor een bepaald aanslagjaar in een belastingvrijstelling wordt voorzien met betrekking tot een inkomen dat de wetgever, hierin gevolgd door het Arbitragehof, voor dezelfde periode precies heeft opgenomen in het geheel van de belastbare inkomsten.
Ten derde is die lezing van het arrest van 23 juni 2004 van het Arbitragehof coherent met betrekking tot de bezorgdheid van het Hof om het gelijkheidsbeginsel zoals gewaarborgd door de Grondwet niet aan te tasten. De roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong worden inderdaad niet beoogd door de vrijstelling inzake RV zoals bedoeld in de oude tekst van artikel 264, 1e lid, 2°, WIB 92. Bovendien vormen de Belgische of buitenlandse vereffeningsuitkeringen overeenkomstig artikel 18, 1e lid, 2° ter, WIB 92, zoals ingelast door artikel 2 van de W 24 december 2002, niettemin inkomsten van roerende goederen en kapitalen die belastbaar zijn als dividend (met uitzondering van de inkomsten van beleggingsvennootschappen zoals bedoeld in artikel 21, 2°, WIB 92). De rijksinwoners die vereffeningsuitkeringen hebben verkregen van buitenlandse vennootschappen zijn er bijgevolg in elk geval toe gehouden die inkomsten op te nemen in hun jaarlijkse aangifte in de personenbelasting.
De interpretatie van het arrest van het Arbitragehof op basis waarvan artikel 264, 1e lid, 2°, WIB 92 terug wordt heringevoerd en er bijgevolg een vrijstelling van de roerende voorheffing voor de vereffeningsuitkeringen van Belgische oorsprong van toepassing is en deze lezing van het arrest combineren met een verkeerde interpretatie van artikel 313, WIB 92 (zie het volgende lid), zou een discriminatie teweeg brengen tussen de uitkeringen van buitenlandse oorsprong en de uitkeringen van Belgische oorsprong, in de veronderstelling dat deze laatsten zouden ontsnappen aan belasting door de combinatie van de artikelen 264, 1e lid, 2° (in zijn oude versie) en 313, WIB 92.
Ten slotte kan, wat betreft de draagwijdte van artikel 313, WIB 92, worden meegedeeld dat die bepaling niet als doel heeft om een belastingvrijstelling in te voeren, maar enkel in een facultatieve vrijstelling voorziet van de verplichting om bepaalde inkomsten van roerende goederen en kapitalen aan te geven in de personenbelasting. De vrijstelling van de verplichting om belastbare inkomsten aan te geven of de eventuele afwezigheid van een specifieke rubriek die bestemd is voor het vermelden van bepaalde inkomsten op het aangifteformulier, kan er niet toe leiden dat inkomsten worden vrijgesteld die elders, meer bepaald op grond van artikel 18, 1e lid, 2° ter, WIB 92, als belastbare inkomsten worden aangemerkt.
Ik erken dat de formulering van artikel 313, WIB 92 zou kunnen worden verduidelijkt en ik heb bijgevolg mijn administratie gevraagd om dienaangaande een voorstel tot wetswijziging uit te werken.
Bovendien spreekt het voor zich dat met betrekking tot de eventuele fiscale rechtzettingen die dienaangaande zijn gebeurd, geen enkele boete of belastingverhoging zal worden toegepast.
