Parlementaire vraag nr. 2540 van mevrouw Griet Smaers van 14.02.2019
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2018-2019, QRVA 54/182, d.d. 13.03.2019, blz. 193
De fiscale regels voor vzw's
VRAAG
Door het nieuwe wetboek van vennootschappen (WVV) worden vzw's geïntegreerd in het wetboek van vennootschappen. Het onderscheidend criterium tussen een vennootschap en een vereniging/vzw wordt nu de winstuitkering en is dus niet langer het winstoogmerk.
Verenigingen en stichtingen streven immers een belangeloos doel na in het kader van een of meerdere bepaalde activiteiten die zij tot voorwerp hebben. Zij mogen de winst niet op eender welke wijze uitkeren aan de leden, bestuurders, oprichters of anderen, tenzij ter verwezenlijking van het nagestreefde belangeloos doel. Dat betekent dat een vereniging dus probleemloos economische activiteiten van industriële of commerciële aard kan verrichten, kan handelen met winstoogmerk en dus winsten kan genereren. Echter, ze mag die winsten niet uitkeren.
Het uitkeringsverbod is ruim en treft ook onrechtstreekse uitkeringen. Zo is het bijvoorbeeld niet toegelaten dat leden of bestuurders aan de vereniging buitensporige huurprijzen of buitensporige prestatievergoedingen vragen. Een vereniging mag wel aan haar leden gratis diensten leveren die binnen haar voorwerp en in het kader van haar doel vallen.
Vandaag wordt de fiscale consequentie bepaald aan de hand van de activiteiten die de vereniging/vzw uitoefent. De meeste vzw's zijn tot op heden onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. Om uit te maken of men dan onder de vennootschapsbelasting kan vallen, moet men zich volgende vragen stellen:
- houdt de vzw zich bezig met een nijverheids-, handelsof landbouwactiviteit die niet enkel als doel heeft om de hoofdactiviteit te ondersteunen;
- verricht de vzw activiteiten van winstgevende aard;
- zijn de winstgevende activiteiten van de vzw slechts bijkomstig of gaat het om alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen of verrichtingen die bestaan in het beleggen van fondsen in het kader van de opdracht van de vzw zoals beschreven in de statuten;
- behoort de vzw tot één van de volgende van vennootschapsbelasting vrijgestelde categorieën; voorbeelden hiervan zijn: belangenvereniging, onderwijs, gezins- en bejaardenhulp (erkend), organisatie handelsbeurzen en tentoonstellingen, sociaal of fiscaal secretariaat, verdeling van fondsen ter uitvoering van de sociale wetgeving, enz.?
Het antwoord op één van de bovenstaande vragen kan dus uitmaken of men onder de rechtspersonen- dan wel de vennootschapsbelasting valt. Met de nieuwe regels die het nieuwe WVV fiscaal moet incorporeren, is het noodzakelijk dat de beoogde fiscale neutraliteit ook doorwerkt voor de verenigingen en de vzw's.
Kan u bevestigen dat de fiscale neutraliteit van dit wetsontwerp ook doorwerkt voor de verenigingen en de vzw's? Zo ja, betekent dit dat de bestaande procedures en vragen overeind blijven, ook al is het criterium nu de winstuitkering in plaats van het winstoogmerk?
ANTWOORD
De wet tot aanpassing van bepaalde federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen beoogt enkel de noodzakelijke aanpassingen van de federale fiscale bepalingen aan het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV), dat het onderwerp uitmaakt van de wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen.
Zoals in de Memorie van Toelichting wordt gesteld, is die wet principieel bedoeld om de neutraliteit van dit nieuwe wetboek op fiscaal vlak te waarborgen, en niet om substantiële wijzigingen door te voeren aan deze fiscale bepalingen.
Ze wijzigt op geen enkele wijze de huidige voorwaarden waaronder de lichamen die geen winstoogmerk nastreven in de zin van de artikelen 181 en 182 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) aan de vennootschaps-of de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen.
Zoals de vorige minister van Financiën in de Commissie voor de Financiën en de begroting van 28 november 2018 in het antwoord op de mondelinge parlementaire vraag nr. 27598 van de heer de Lamotte (Integraal Verslag, Kamer, 2018-2019, CRIV 54 COM 1003) bevestigd heeft, zullen de huidige beoordelingscriteria ook na de wijziging van het WIB 92 relevant blijven.
