Parlementaire vraag nr. 776 van mevrouw Pieters van 10.12.2002
Vr. en Antw., Kamer, 2002, nr. 151, blz. 19239-19240
Opstellen van processen-verbaal inzake directe belastingen - Bijzondere bewijskracht - Visitatie
VRAAG
Zowel door de taxatieambtenaren van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit en de Bijzondere Belastinginspectie als door de opsporingsambtenaren verbonden aan de sector directe belastingen worden regelmatig processen-verbaal, opsporings- en verificatieverslagen ter plaatse opgesteld met het oog op latere taxatie-, invorderings-, boete- en strafdoeleinden.
Inzake BTW (zie artikel 59 van het BTW-Wetboek) en inzake douane en accijnzen (zie onder andere de artikelen 176, 267 en 268 van de AWDA) zijn hieromtrent evenwel precieze wettelijke bepalingen uitgevaardigd.
Naar verluidt zouden op het vlak van de directe belastingen nochtans geen dergelijke gelijklopende strenge wettelijke of reglementaire bepalingen bestaan.
1. De algemene praktische vraag rijst dan ook aan welke voorwaarden en richtlijnen deze "processenverbaal inzake directe belastingen" allemaal wettelijk, reglementair en administratief gezamenlijk moeten voldoen om in rechte met een bijzondere bewijskracht te kunnen worden aangewend?
2. Welke concrete en bindende instructies werden er ten behoeve van de verbalisanten terzake reeds uitgevaardigd en moeten de bekeurders ter gelegenheid van de visitaties hun actueel aanstellingsbewijs steeds zelf spontaan presenteren aan de belastingplichtigen of belastingschuldigen?
3. Gelden hierbij eveneens tevens de bepalingen van de "wet-Franchimont" zoals ingesteld bij artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering (artikel 8 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek)?
4. Kan u uw huidige algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van alle beginselen van behoorlijk bestuur, de nieuwe klantvriendelijke fiscale cultuur als van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (cf. artikel 319 WIB 1992), het Burgerlijk Wetboek, het Strafwetboek en van het Wetboek van strafvordering?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid mee te delen dat de onderscheiden vraagstellingen uitsluitend betrekking hebben op aspecten van de fiscale procedure, zodat ik ze overdraag aan mijn collega, de minister van Financiën. (Vraag nr. 1164 van 10 december 2002.)
Ik kan niettemin aangeven dat de bepalingen van artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering (artikel 8 van de wet van 12 maart 1998 "tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek"), die een aantal minimumvoorwaarden voorschrijven die moeten worden geëerbiedigd bij het verhoor van personen, van toepassing zijn op de ondervragingen die plaatsvinden in het kader van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek.
Opstellen van processen-verbaal inzake directe belastingen - Bijzondere bewijskracht - Visitatie
VRAAG
Zowel door de taxatieambtenaren van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit en de Bijzondere Belastinginspectie als door de opsporingsambtenaren verbonden aan de sector directe belastingen worden regelmatig processen-verbaal, opsporings- en verificatieverslagen ter plaatse opgesteld met het oog op latere taxatie-, invorderings-, boete- en strafdoeleinden.
Inzake BTW (zie artikel 59 van het BTW-Wetboek) en inzake douane en accijnzen (zie onder andere de artikelen 176, 267 en 268 van de AWDA) zijn hieromtrent evenwel precieze wettelijke bepalingen uitgevaardigd.
Naar verluidt zouden op het vlak van de directe belastingen nochtans geen dergelijke gelijklopende strenge wettelijke of reglementaire bepalingen bestaan.
1. De algemene praktische vraag rijst dan ook aan welke voorwaarden en richtlijnen deze "processenverbaal inzake directe belastingen" allemaal wettelijk, reglementair en administratief gezamenlijk moeten voldoen om in rechte met een bijzondere bewijskracht te kunnen worden aangewend?
2. Welke concrete en bindende instructies werden er ten behoeve van de verbalisanten terzake reeds uitgevaardigd en moeten de bekeurders ter gelegenheid van de visitaties hun actueel aanstellingsbewijs steeds zelf spontaan presenteren aan de belastingplichtigen of belastingschuldigen?
3. Gelden hierbij eveneens tevens de bepalingen van de "wet-Franchimont" zoals ingesteld bij artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering (artikel 8 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek)?
4. Kan u uw huidige algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen zowel in het licht van alle beginselen van behoorlijk bestuur, de nieuwe klantvriendelijke fiscale cultuur als van de bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (cf. artikel 319 WIB 1992), het Burgerlijk Wetboek, het Strafwetboek en van het Wetboek van strafvordering?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geachte lid mee te delen dat de onderscheiden vraagstellingen uitsluitend betrekking hebben op aspecten van de fiscale procedure, zodat ik ze overdraag aan mijn collega, de minister van Financiën. (Vraag nr. 1164 van 10 december 2002.)
Ik kan niettemin aangeven dat de bepalingen van artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering (artikel 8 van de wet van 12 maart 1998 "tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek"), die een aantal minimumvoorwaarden voorschrijven die moeten worden geëerbiedigd bij het verhoor van personen, van toepassing zijn op de ondervragingen die plaatsvinden in het kader van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek.
Bron: FisconetPlus
