Parlementaire vraag nr. 2648 van de heer Luk Van Biesen van 11.03.2015
Mondelinge parlementaire vraag nr. 2648 van de heer Luk Van Biesen dd. 11.03.2015
Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2014-2015, CRIV 54 COM 111 dd. 11.03.2015, blz. 6
Liquidatiereserve
VRAAG (van de heer Van Biesen)
het is een technische vraag, maar dat mag ook in deze commissie. Inzake vennootschapsbelasting stelt artikel 184quater van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen dat een liquidatiereserve kan worden aangelegd. Een van de voorwaarden opdat de liquidatie van het speciaal hiervoor voorziene belastingregime kan genieten, is dat ze blijvend op een of meer afzonderlijke rekeningen van het passief moet worden geboekt en niet tot grondslag mag dienen voor enige beloning of toekenning. De vraag rijst welke fiscale gevolgen er ontstaan indien een vennootschap die een liquidatiereserve heeft aangelegd via een met fusie gelijkgestelde verrichting, een zogenaamde moederdochterfusie, wordt overgenomen. Daardoor zal het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap, inclusief de liquidatiereserve, geheel wegvallen. Artikel 211, § 2, vierde lid, bepaalt echter dat in zo’n situatie er geen vermindering dient te gebeuren inzake bepaalde meerwaarden, kapitaalsubsidies, vrijgestelde reserves, vrijgestelde waardeverminderingen en vrijgestelde provisies die als dusdanig voorkomen in de boekhouding van de overnemende vennootschap. Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat ook de liquidatiereserve voor het bedrag waarvoor ze bij de overgenomen vennootschap werd aangelegd, naar aanleiding van een met fusie gelijkgestelde verrichting door de overnemende vennootschap kan worden heraangelegd, waarbij het speciaal belastingregime voor de liquidatiereserve verder van toepassing blijft ? Ik moet eerlijk toegeven, mijnheer de voorzitter, dat ik deze vraag niet heb getoetst aan “Heerlijk helder”, het programma van onze vriend Jan Hautekiet. Ik geef toe dat het geen eenvoudige taal is, maar dat is nu eenmaal beroepsjargon.
ANTWOORD (van de minister)
U weet, mijnheer Van Biesen, dat ik de eerste gelukkige was om het stempel “Heerlijk helder” opgedrukt te krijgen, dus ik zal proberen in de lijn van dat patroon te antwoorden, hoewel dit voor een dergelijke vraag niet evident is. Gelet op het feit dat een moeder-dochterfusie de rechtshandeling is waarbij de overnemende vennootschap reeds het geheel van de aandelen van de overgenomen vennootschap in haar bezit had en het gunstige regime met betrekking tot de liquidatiereserve enkel bedoeld is voor de aandeelhouders-natuurlijke personen, lijkt het zeer onwaarschijnlijk dat in het door u aangehaalde geval een liquidatiereserve wordt aangelegd. In voorgelegd geval wijkt het fiscale neutraliteitsbeginsel, zoals bedoeld in het wetsartikel waarnaar u verwijst, volgens het Hof van Cassatie af van het gemeen recht en is het slechts van toepassing op de in dat artikel bedoelde gevallen. De Grondwet laat niet toe dat dit fiscaal neutraliteitsbeginsel naar analogie wordt uitgebreid tot gevallen die het niet beoogt. De liquidatiereserve die overeenkomstig de wettelijke bepalingen kan worden aangelegd, behoort tot de belaste reserves. Een moeder-dochterfusie heeft tot gevolg dat de belaste reserves van de overgenomen vennootschap niet meer worden teruggevonden in het vermogen van de overnemende vennootschap, zodat niet langer voldaan is aan de voorwaarde voor het behoud van de liquidatiereserve.
CONCLUSIE (van de heer Van Biesen)
Mijnheer de voorzitter, ik dank de minister voor zijn antwoord.
