Parlementaire vraag nr. 224 van mevrouw Pieters van 20.01.2004
VRAAG 04/224
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 28, blz. 4335-4337
Onderzoek van een bewaarschrift
VRAAG
In het kader van de behandeling van de bezwaarschriften moeten de geschillenambtenaren van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit alle grieven en middelen van de belastingplichtigen grondig onderzoeken en die alle punt per punt afdoende weerleggen of inwilligen. Het is hen echter niet toegelaten belastingsupplementen te vestigen.
1. De algemene pertinente juridische vraag rijst daarbij of de onderzoekende geschillenambtenaren de door de taxatieambtenaren eerder ingestelde belastingonderzoeken in fase van bezwaar, weliswaar strikt beperkt tot die grieven, integraal mogen en of zelfs moeten overdoen, moeten aanvullen en/of zelfs moeten vervangen door compleet andere onderzoeksmethoden?
2. Hebben zij inderdaad als opdracht en/of mogen of moeten zij desnoods ook via een totaal andere al dan niet procedurele weg en aan de hand van volledig andere wetsartikelen en/of motiveringen de betwiste aanslagen te allen prijze hoe dan ook toch steeds volledig trachten te handhaven?
3. Kan u in verband met beide punten uw huidige algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de bepalingen van de artikelen 374 en 375 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en de ermede verband houdende rechtspraak en in het kader van de nieuwe en klantvriendelijke fiscale cultuur alsmede van de beginselen van een behoorlijk en performant bestuur?
ANTWOORD (minister van Financiën, 08.04.2004)
1. Overeenkomstig artikel 374 van het WIB 1992, beschikt de onderzoekende geschillenambtenaar over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie verleend zijn bij de artikelen 315 tot 319, 322 tot 330, 333 tot 336, 339 tot 343 en 346, WIB 1992.
De onderzoekende geschillenambtenaar zal in eerste instantie aan de hand van de stukken van het dossier oordelen over de grieven van het bezwaarschrift en zal slechts besluiten tot bijkomende onderzoeksverrichtingen wanneer die noodzakelijk blijken te zijn om de aanslag te toetsen aan de fiscale wet. Artikel 374, WIB 1992, geeft hem hiertoe de mogelijkheid.
2. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar, die uitspraak doet over de door de belastingplichtige aangevoerde bezwaren, kan om eigen redenen, andere dan die welke door de aanslagambtenaar werden gehanteerd, een aanslag handhaven voor zover hij zich steunt op de materiële elementen die de taxatieambtenaar in aanmerking had genomen (zie Cass., 3 mei 1991, Arr. Cass., 1990-1991, blz. 892). Ook de gerechtelijke instanties zijn ter bepaling van de belastingschuld niet gebonden door de overwegingen van de directeur der belastingen of door de resultaten van de administratieve fase van de procedure en kunnen op grond van eigen motieven beslissen dat de aanslag geheel of ten dele verantwoord is (Cass., 16 maart 1989, Arr. Cass., 1988-1989, blz. 830).
3. Aangezien belastingzaken de openbare orde raken, moeten de directeur der belastingen en de gerechtelijke instanties, die oordelen over belastingzaken, de inkomsten van de belastingplichtige belasten overeenkomstig de fiscale wet. Wanneer de directeur der belastingen of een rechter vaststelt dat bepaalde inkomsten overeenkomstig de fiscale wet belastbaar zijn, doch om een andere reden dan die welke door de taxatieambtenaar werd gegeven, zijn zij verplicht de fiscale wet toe te passen en bijgevolg de taxatie te handhaven in overeenstemming met de fiscale wet. Een klantvriendelijke fiscale cultuur kan geenszins tot gevolg hebben dat de fiscale wet die van openbare orde is terzijde wordt geschoven.
Bron: FisconetPlus
