Parlementaire vraag nr. 461 van de heer van den Abeelen van 18.06.1996
VRAAG 96/461
Vraag nr. 461 van de heer van den Abeelen dd. 18.06.1996
Bull. nr. 765, pag. 2384
Faillissement van de werkgever - Voorrecht van de werknemer - Nettoloon - Curator - Bedrijfsvoorheffing.
In haar arrest van 1 maart 1995 bevestigt het Hof van beroep te Gent het principe dat het voorrecht van de werknemer, in geval van faillissement van de werkgever, beperkt is tot het nettoloon (Rechtskundig Weekblad van 20 januari 1996).
Daaruit volgt - volgens het hof - dat de curator moet berekenen hoeveel bedrijfsvoorheffing (volgens de gewone regels) op het loon verschuldigd is. De curator mag die bedrijfsvoorheffing echter niet doorstorten aan de Schatkist. Het hof zegt uitdrukkelijk dat het om een "fictieve berekening" gaat. Het is een loutere berekening om het bevoorrecht gedeelte van het loon te kunnen betalen. De aldus berekende voorheffing blijft bijgevolg in de massa en wordt gebruikt om de bevoorrechte schuldeisers te betalen, volgens de wettelijk bepaalde rangorde. Van een effectieve heffing en betaling van bedrijfsvoorheffing kan er volgens het hof maar sprake zijn op het ogenblik dat de curator effectief aan de werknemers een bedrag betaalt. Overeenkomstig artikel 270, 6°, van het WIB 1992 moet de curator in dat geval eenvormig een bedrijfsvoorheffing inhouden en storten van 25,75 %.
1. Is u het eens met deze interpretatie van de wettelijke bepalingen inzake bedrijfsvoorheffing ?
2.
ANTWOORD
De interpretatie die het Hof van Beroep te Gent in zijn arrest van 1 maart 1995 heeft gegeven aan de wettelijke bepalingen inzake de bedrijfsvoorheffing en die, gelet op de bestaande wetgeving en rechtspraak, ook door een aantal curatoren wordt verdedigd en toegepast, was ook door de administratie der directe belastingen aangenomen.
Het Hof van cassatie heeft dat arrest evenwel op 23 mei 1996 verbroken.
Volgens het Hof van cassatie schendt de interpretatie van het Hof van beroep te Gent de wettelijke bepalingen inzake de bedrijfsvoorheffing en het hof is dan ook van oordeel dat de curator de schuldvordering van de werknemer voor vorderingen ontstaan vóór het faillissement moet berekenen op grond van het brutoloon, verminderd met de sociale zekerheidsbijdrage van de werknemer en met de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing. De curator stelt de forfaitaire bedrijfsvoorheffing vast op grondslag van de bruto-inkomsten verminderd met de verplichte sociale inhoudingen en hij stort de ingehouden bedrijfsvoorheffing door aan het bestuur als de rang van de respectieve voorrechten dit toestaat.
De administratie der directe belastingen was echter geen partij in het geding dat tot het cassatiearrest van 23 mei 1996 heeft geleid. De administratie onderzoekt daarom welke de precieze draagwijdte is van het cassatiearrest en of ze haar standpunt inzake de inhouding en storting van bedrijfsvoorheffing door de curator in het licht van dat arrest en rekening houdend met al de ter zake geldende wettelijke bepalingen, moet herzien.
Vraag nr. 461 van de heer van den Abeelen dd. 18.06.1996
Bull. nr. 765, pag. 2384
Faillissement van de werkgever - Voorrecht van de werknemer - Nettoloon - Curator - Bedrijfsvoorheffing.
In haar arrest van 1 maart 1995 bevestigt het Hof van beroep te Gent het principe dat het voorrecht van de werknemer, in geval van faillissement van de werkgever, beperkt is tot het nettoloon (Rechtskundig Weekblad van 20 januari 1996).
Daaruit volgt - volgens het hof - dat de curator moet berekenen hoeveel bedrijfsvoorheffing (volgens de gewone regels) op het loon verschuldigd is. De curator mag die bedrijfsvoorheffing echter niet doorstorten aan de Schatkist. Het hof zegt uitdrukkelijk dat het om een "fictieve berekening" gaat. Het is een loutere berekening om het bevoorrecht gedeelte van het loon te kunnen betalen. De aldus berekende voorheffing blijft bijgevolg in de massa en wordt gebruikt om de bevoorrechte schuldeisers te betalen, volgens de wettelijk bepaalde rangorde. Van een effectieve heffing en betaling van bedrijfsvoorheffing kan er volgens het hof maar sprake zijn op het ogenblik dat de curator effectief aan de werknemers een bedrag betaalt. Overeenkomstig artikel 270, 6°, van het WIB 1992 moet de curator in dat geval eenvormig een bedrijfsvoorheffing inhouden en storten van 25,75 %.
1. Is u het eens met deze interpretatie van de wettelijke bepalingen inzake bedrijfsvoorheffing ?
2.
| a) | Wordt op het loon van de werknemer in voorkomend geval geen tweemaal bedrijfsvoorheffing toegepast ? |
| b) | Welk bedrag mag de werknemer verrekenen met zijn inkomstenbelasting ? |
De interpretatie die het Hof van Beroep te Gent in zijn arrest van 1 maart 1995 heeft gegeven aan de wettelijke bepalingen inzake de bedrijfsvoorheffing en die, gelet op de bestaande wetgeving en rechtspraak, ook door een aantal curatoren wordt verdedigd en toegepast, was ook door de administratie der directe belastingen aangenomen.
Het Hof van cassatie heeft dat arrest evenwel op 23 mei 1996 verbroken.
Volgens het Hof van cassatie schendt de interpretatie van het Hof van beroep te Gent de wettelijke bepalingen inzake de bedrijfsvoorheffing en het hof is dan ook van oordeel dat de curator de schuldvordering van de werknemer voor vorderingen ontstaan vóór het faillissement moet berekenen op grond van het brutoloon, verminderd met de sociale zekerheidsbijdrage van de werknemer en met de forfaitair berekende bedrijfsvoorheffing. De curator stelt de forfaitaire bedrijfsvoorheffing vast op grondslag van de bruto-inkomsten verminderd met de verplichte sociale inhoudingen en hij stort de ingehouden bedrijfsvoorheffing door aan het bestuur als de rang van de respectieve voorrechten dit toestaat.
De administratie der directe belastingen was echter geen partij in het geding dat tot het cassatiearrest van 23 mei 1996 heeft geleid. De administratie onderzoekt daarom welke de precieze draagwijdte is van het cassatiearrest en of ze haar standpunt inzake de inhouding en storting van bedrijfsvoorheffing door de curator in het licht van dat arrest en rekening houdend met al de ter zake geldende wettelijke bepalingen, moet herzien.
Bron: FisconetPlus
