Parlementaire vraag nr. 1172 van de heer Ansoms van 19.12.1997

VRAAG 97/1172
Bull. nr. 782, pag. 1089
Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 117, blz. 16083-16084
Fiscale woonplaats. - Opname in verzorgingsinstelling.
VRAAG
Overeenkomstig de algemene onderrichtingen van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister van het ministerie van Binnenlandse Zaken moeten personen door het gemeentebestuur worden ingeschreven op de "hoofdverblijfplaats".
Wanneer één van de echtgenoten moet worden opgenomen in een instelling moet die persoon daar worden ingeschreven. Fiscaal wordt dit een feitelijk gescheiden gezin en worden de echtgenoten na één jaar afzonderlijk belast op hun inkomen.
In vele gevallen is er één gezinspensioen op naam van de man. Hij wordt dan als alleenstaande belast op dit inkomen, hij verliest het huwelijksquotiënt en betaalt hierdoor een stuk meer belastingen. De echtgenote wordt ook afzonderlijk belast op haar inkomen, wat in geval van gezinspensioen nihil is.
Na contact met het Hoofdbestuur der belastingen blijkt dit fiscaal niet oplosbaar. De enige oplossing is in dergelijke gevallen het gezinspensioen te splitsen. Door de Rijksdienst voor pensioenen zou dit reeds gebeuren. Andere pensioenkassen, onder andere voor overheidspensioenen (CDVU) doen dit niet.
1. Acht u een duurzame regeling mogelijk waarbij gezinspensioenen uit alle sectoren (dus ook de overheidspensioenen) worden gesplitst ingeval één van de partners wordt opgenomen in een instelling en wordt ingeschreven door de bevolkingsdiensten van de gemeente?
2. Is een fiscale regeling mogelijk waarvan gezinnen, waarbij één van de partners in een instelling wordt opgenomen en daar ook ingeschreven wordt, fiscaal toch als een gezin kan blijven beschouwd worden?
ANTWOORD
Met betrekking tot zijn eerste vraag heb ik de eer het geacht lid te verwijzen naar het antwoord van de minister van Pensioenen op de parlementaire vraag nr. 105 die het geacht lid gesteld heeft op 19 december 1997. (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997-1998, nr. 115, blz. 15770.)
Met betrekking tot zijn tweede vraag wens ik het geacht lid vooreerst te verduidelijken dat de fiscale woonplaats van gehuwden moet worden beoordeeld aan de hand van een geheel van feitelijke omstandigheden. De inschrijving in het bevolkingsregister is daarbij een beoordelingselement dat op zichzelf echter niet absoluut bepalend is.
Wat de opname van één van de echtgenoten in een verzorgingsinstelling betreft, moet in dat verband doorgaans worden aangenomen dat de opgenomen echtgenoot slechts tijdelijk uit de gemeenschappelijke gezinswoning verwijderd leeft en dat de gezinsband niet verbroken is.
Is de door de gezondheidstoestand van één der echtgenoten veroorzaakte breuk in het gezinsleven echter duurzaam, zo niet onomkeerbaar, dan mag worden aangenomen dat het geen tijdelijke afwezigheid van die echtgenoot uit de gemeenschappelijke gezinswoning betreft en dat de betrokkenen feitelijk gescheiden zijn. Alsdan worden de echtgenoten overeenkomstig artikel 128, eerste lid, 2° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vanaf het jaar volgend op dat waarin die duurzame breuk plaatsgreep inderdaad als afzonderlijke belastingplichtigen beschouwd. Daarvan kan in de huidige stand van de wetgeving niet worden afgeweken.
Die situatie is evenwel niet noodzakelijk nadelig voor de betrokken echtgenoten, aangezien in dat geval voldaan is aan de voorwaarden van artikel 104, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 voor aftrek van onderhoudsuitkeringen, namelijk dat de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtige geen deel mogen uitmaken van hetzelfde gezin. Wanneer ook de andere voorwaarden zijn vervuld, kan de ene echtgenoot - dat kan ook de in de instelling opgenomen echtgenoot zijn - bijgevolg de onderhoudsuitkeringen die hij in voorkomend geval aan de andere echtgenoot moet betalen van zijn totale netto-inkomen aftrekken.