Parlementaire vraag nr. 599 van de heer Eerdekens van 20.02.2001
VRAAG 01/599
Vraag nr. 599 van de heer Eerdekens dd. 20.02.2001
Bull. nr. 824, pag. 1266
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 88, blz. 10181
Aanslagtermijn van drie jaar - Gewone aanslagtermijn
VRAAG
Het Gemeentefonds wordt op grond van verscheidene criteria verdeeld. Een van die criteria is het belastingquotiënt.
Het belastingquotiënt is de uitkomst van een deling. In de teller van die breuk staat onder meer het vastgestelde recht dat ingeschreven is op rekening N-2 en onder het « eigen aanslagjaar» wat de opcentiemen op de onroerende voorheffing betreft.
Naar verluidt zou het ministerie van Financiën de belasting « onroerende voorheffing » voor het aanslagjaar 2000 laattijdig hebben ingekohierd.
1.
a) Vanwaar die achterstand bij de inkohiering ?
b) Welke maatregelen werden er getroffen om laattijdige inkohiering in de toekomst te vermijden ?
2. Dreigen het belastingquotiënt, en dus het aandeel van de steden en gemeenten in het Gemeentefonds, door de onderschatting door de minister van Financiën van het vastgestelde recht en eventueel zelfs door de inschrijving op de begroting N-1 van het aanvullend gedeelte op vorige aanslagjaren niet te worden verminderd?
3. Zo ja, welke maatregelen denkt men te nemen om te voorkomen dat een achterstand bij de inkohiering van de onroerende voorheffing nog repercussies zou hebben op de verdeling van het Gemeentefonds?
ANTWOORD
1.
a) In de eerste plaats wens ik te benadrukken dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 354 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de onroerende voorheffing kan gevestigd worden gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is en dat de aanslagen met betrekking tot het aanslagjaar 2000, geldig gevestigd kunnen worden tot 31 december 2002.
De betrokken fiscale administraties, die bekommerd zijn om de terzake voor de gemeenten «op het spel » staande belangen, waken er over dat alle aanslagen inzake onroerende voorheffing, zoveel als mogelijk, binnen de normale aanslagtermijn bepaald in artikel 359 van voormeld wetboek, worden gevestigd en dat enkel toepassing wordt gemaakt van de aanslagtermijn van drie jaar in uitzonderlijke gevallen.
Zodoende, zijn wat het aanslagjaar 2000 betreft, alle inkohieringswerkzaamheden reeds beëindigd sinds 20 december 2000, dus zes maanden voor het verstrijken van de gewone aanslagtermijn.
b) De verschillende fiscale administraties stellen alles in het werk om een zo snel mogelijke vestiging en inning van de onroeremde voorheffing te verzekeren, in het bijzonder door te werken met dadelijk definitieve dagboeken 214, daar waar dit voorheen, in twee opeenvolgende stappen (aanvankelijke kohieren + suppletoire kohieren) gebeurde. Het spreekt voor zich dat in de gebieden waar veelvuldige aanpassingen (verkopen, overdrachten, wijziging van maatschappelijke benaming) moeten gebeuren, dit het werk van de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen bemoeilijkt. Deze nieuwe werkmethode heeft nochtans als voordeel dat de inkohieringen inzake onroerende voorheffing, voor de onderscheiden machten, een volledig en definitief karakter hebben. Doordat de doorzending van de dadelijk definitieve dagboeken 214 minder in de tijd gespreid is dan vroeger, moeten de ontvangkantoren van de administratie van de Invordering evenwel massale werkzaamheden uitvoeren binnen een eerder beperkte tijdsspanne (aanpassen van de bestanden in het licht van de laatste demografische wijzigingen, adresveranderingen, toekenning van verminderingen voor kinderen ten laste, bescheiden woning, enz.). Deze wijzigingen dienen absoluut te gebeuren opdat de gevestigde aanslagen correct zouden zijn en de belastingplichtige «klant » er niet wordt toe verplicht een bezwaarschrift in te dienen.
Moderne managementtechnieken genaamd «performantiemanagement » zullen toelaten om via boordtabellen en een stipt nageleefde kalender, te komen tot een betere opvolging van de inkohieringen en een nog grotere regelmaat in de inningen van de vastgestelde rechten. Die boordtabellen zullen toelaten om de ontvangkantoren, die geconfronteerd worden met een belangrijke werkmassa, tijdig op te sporen. In voorkomend geval, zal men overgaan tot een tijdelijke verplaatsing van het personeel teneinde deze kantoren structureel te versterken.
De modernisering van de geautomatiseerde toepassingen met betrekking tot de vestiging van de onroerende voorheffing, welke moet beëindigd zijn voor het aanslagjaar 2003, zal eveneens toedragen tot een verbetering van de toestand.
De verwachte overstelping van de ontvangkantoren door de concentratie van de gevestigde inkohieringen inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2000 op het einde van de gewone aanslagtermijn, hetzij 30 juni 2001, openen de mogelijkheid dat het verloop van de inkohieringswerkzaamheden van de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2001 gelijklopend zal zijn aan het voorgaande. Uiteraard zal alles in het werk worden gesteld om alle inkohieringswerkzaamheden inzake onroerende voorheffing te beëindigen vóór het einde van het begrotingsjaar 2001 voor de algemene invoering van de euro). Bovendien, kan ik het geachte lid meedelen dat de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen alles in het werk stelt opdat al de dagboeken 214 ten laatste op 31 mei, en niet op 30 juni, zoals nog het geval was voor het aanslagjaar 2000, kunnen toegezonden worden aan de ontvangkantoren.
2. De invloed van eender welke wijziging op het vlak van de als parameter weerhouden bedragen voor de berekening van het deel van het Gemeentefonds dat toekomt aan de gemeenten, behoort tot de bevoegdheid van mijn collega, de minister van Binnenlandse Zaken. Indien evenwel, zoals het geachte lid mededeelt, de weerhouden parameter het bedrag van de vastgestelde rechten is, is er geen sprake van enige onderschatting of vertraging ten opzichte van voorgaande aanslagjaren, daar alle inkohieringen voor het aanslagjaar 2000 beëindigd waren op 20 december 2000.
3. Naar analogie met het antwoord verstrekt onder punt twee, behoren de maatregelen die de neutralisering van de weerslag op de verdeling van het Gemeentefonds tot doel hebben, exclusief tot de bevoegdheid van mijn collega, de minister van Binnenlandse Zaken. (Vraag nr. 412 van 27 augustus 2001.)
Vraag nr. 599 van de heer Eerdekens dd. 20.02.2001
Bull. nr. 824, pag. 1266
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 88, blz. 10181
Aanslagtermijn van drie jaar - Gewone aanslagtermijn
VRAAG
Het Gemeentefonds wordt op grond van verscheidene criteria verdeeld. Een van die criteria is het belastingquotiënt.
Het belastingquotiënt is de uitkomst van een deling. In de teller van die breuk staat onder meer het vastgestelde recht dat ingeschreven is op rekening N-2 en onder het « eigen aanslagjaar» wat de opcentiemen op de onroerende voorheffing betreft.
Naar verluidt zou het ministerie van Financiën de belasting « onroerende voorheffing » voor het aanslagjaar 2000 laattijdig hebben ingekohierd.
1.
a) Vanwaar die achterstand bij de inkohiering ?
b) Welke maatregelen werden er getroffen om laattijdige inkohiering in de toekomst te vermijden ?
2. Dreigen het belastingquotiënt, en dus het aandeel van de steden en gemeenten in het Gemeentefonds, door de onderschatting door de minister van Financiën van het vastgestelde recht en eventueel zelfs door de inschrijving op de begroting N-1 van het aanvullend gedeelte op vorige aanslagjaren niet te worden verminderd?
3. Zo ja, welke maatregelen denkt men te nemen om te voorkomen dat een achterstand bij de inkohiering van de onroerende voorheffing nog repercussies zou hebben op de verdeling van het Gemeentefonds?
ANTWOORD
1.
a) In de eerste plaats wens ik te benadrukken dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 354 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de onroerende voorheffing kan gevestigd worden gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is en dat de aanslagen met betrekking tot het aanslagjaar 2000, geldig gevestigd kunnen worden tot 31 december 2002.
De betrokken fiscale administraties, die bekommerd zijn om de terzake voor de gemeenten «op het spel » staande belangen, waken er over dat alle aanslagen inzake onroerende voorheffing, zoveel als mogelijk, binnen de normale aanslagtermijn bepaald in artikel 359 van voormeld wetboek, worden gevestigd en dat enkel toepassing wordt gemaakt van de aanslagtermijn van drie jaar in uitzonderlijke gevallen.
Zodoende, zijn wat het aanslagjaar 2000 betreft, alle inkohieringswerkzaamheden reeds beëindigd sinds 20 december 2000, dus zes maanden voor het verstrijken van de gewone aanslagtermijn.
b) De verschillende fiscale administraties stellen alles in het werk om een zo snel mogelijke vestiging en inning van de onroeremde voorheffing te verzekeren, in het bijzonder door te werken met dadelijk definitieve dagboeken 214, daar waar dit voorheen, in twee opeenvolgende stappen (aanvankelijke kohieren + suppletoire kohieren) gebeurde. Het spreekt voor zich dat in de gebieden waar veelvuldige aanpassingen (verkopen, overdrachten, wijziging van maatschappelijke benaming) moeten gebeuren, dit het werk van de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen bemoeilijkt. Deze nieuwe werkmethode heeft nochtans als voordeel dat de inkohieringen inzake onroerende voorheffing, voor de onderscheiden machten, een volledig en definitief karakter hebben. Doordat de doorzending van de dadelijk definitieve dagboeken 214 minder in de tijd gespreid is dan vroeger, moeten de ontvangkantoren van de administratie van de Invordering evenwel massale werkzaamheden uitvoeren binnen een eerder beperkte tijdsspanne (aanpassen van de bestanden in het licht van de laatste demografische wijzigingen, adresveranderingen, toekenning van verminderingen voor kinderen ten laste, bescheiden woning, enz.). Deze wijzigingen dienen absoluut te gebeuren opdat de gevestigde aanslagen correct zouden zijn en de belastingplichtige «klant » er niet wordt toe verplicht een bezwaarschrift in te dienen.
Moderne managementtechnieken genaamd «performantiemanagement » zullen toelaten om via boordtabellen en een stipt nageleefde kalender, te komen tot een betere opvolging van de inkohieringen en een nog grotere regelmaat in de inningen van de vastgestelde rechten. Die boordtabellen zullen toelaten om de ontvangkantoren, die geconfronteerd worden met een belangrijke werkmassa, tijdig op te sporen. In voorkomend geval, zal men overgaan tot een tijdelijke verplaatsing van het personeel teneinde deze kantoren structureel te versterken.
De modernisering van de geautomatiseerde toepassingen met betrekking tot de vestiging van de onroerende voorheffing, welke moet beëindigd zijn voor het aanslagjaar 2003, zal eveneens toedragen tot een verbetering van de toestand.
De verwachte overstelping van de ontvangkantoren door de concentratie van de gevestigde inkohieringen inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2000 op het einde van de gewone aanslagtermijn, hetzij 30 juni 2001, openen de mogelijkheid dat het verloop van de inkohieringswerkzaamheden van de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2001 gelijklopend zal zijn aan het voorgaande. Uiteraard zal alles in het werk worden gesteld om alle inkohieringswerkzaamheden inzake onroerende voorheffing te beëindigen vóór het einde van het begrotingsjaar 2001 voor de algemene invoering van de euro). Bovendien, kan ik het geachte lid meedelen dat de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen alles in het werk stelt opdat al de dagboeken 214 ten laatste op 31 mei, en niet op 30 juni, zoals nog het geval was voor het aanslagjaar 2000, kunnen toegezonden worden aan de ontvangkantoren.
2. De invloed van eender welke wijziging op het vlak van de als parameter weerhouden bedragen voor de berekening van het deel van het Gemeentefonds dat toekomt aan de gemeenten, behoort tot de bevoegdheid van mijn collega, de minister van Binnenlandse Zaken. Indien evenwel, zoals het geachte lid mededeelt, de weerhouden parameter het bedrag van de vastgestelde rechten is, is er geen sprake van enige onderschatting of vertraging ten opzichte van voorgaande aanslagjaren, daar alle inkohieringen voor het aanslagjaar 2000 beëindigd waren op 20 december 2000.
3. Naar analogie met het antwoord verstrekt onder punt twee, behoren de maatregelen die de neutralisering van de weerslag op de verdeling van het Gemeentefonds tot doel hebben, exclusief tot de bevoegdheid van mijn collega, de minister van Binnenlandse Zaken. (Vraag nr. 412 van 27 augustus 2001.)
Bron: FisconetPlus
