Parlementaire vraag nr. 681 van de heer Hendrickx van 04.05.2001

VRAAG 01/681

Vraag nr. 681 van de heer Hendrickx dd. 04.05.2001


Bull. nr. 828, pag. 1957-1960

Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 105, blz. 12328-12330

Zorgvuldigheidsplicht van ambtenaren

VRAAG

Ambtenaren hebben tot enige en absolute taak de wetten te kennen en deze zorgvuldig toe te passen. Zij hebben geen macht om de wetten uit te breiden, bijzonderheden of voorwaarden eraan toe te voegen of op basis van opportunisme niet in de wet voorziene interpretaties eraan te geven. Zeker mogen zij geen circulaires gebruiken, zelfs niet ter ondersteuning van hun interpretatie om hun gelijk te bewijzen. Circulaires zijn interne documenten die niet objectief of neutraal zijn opgesteld vermits deze alleen door de ambtenaren zelf worden opgesteld.

1. Is de zorgvuldigheidsplicht van de ambtenaren een verplichting van openbare orde tegenover de belastingplichtigen?

2. Bent u van mening dat - indien de belastingplichtigen of de administratie vaststellen dat uw administratie of de belastingplichtigen de wet(ten) verkeerdelijk toegepast hebben in het nadeel van de belastingplichtige (n) gedurende het aanslagjaar zelf of meerdere voorafgaande jaren - uw administratie zonder uitzondering "juris de jure" tot plicht heeft deze verkeerde aanslagen onmiddellijk te herstellen en de eventueel onrechtmatig betaalde aangeslagen sommen met intresten ogenblikkelijk terug te storten met inachtname van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen?

3. Zijn er sancties voorzien voor de ambtenaar indien men vaststelt dat de ambtenaar niet zorgvuldig optrad?

4. Zijn de fiscale wetten van openbare orde?

5. Hebben de belastingplichtigen het absoluut recht om de minst belastbare weg te kiezen?

6. Bent u van mening dat het "juris de jure" de plicht is van elke ambtenaar om de zorgvuldigheidsplicht toe te passen in al zijn handelingen met de belastingplichtigen waardoor deze ambtenaren de plicht hebben - indien zij vaststelden dat de belastingplichtigen de minst belastbare weg niet gekozen hebben deze erop te wijzen dat zij hun aangifte kunnen wijzigen en de minst belastbare weg kunnen kiezen?

7. Indien het antwoord negatief is, wat is dan de juiste betekenis van de zorgvuldigheidsplicht?

8. Indien negatief, wat is dan de betekenis van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien blijkt dat de administratie wel het recht heeft een aangifte te wijzigen en de belastingplichtigen dit voorrecht niet hebben?

9. Is de voornoemde wet van 29 juli 1991 toepasselijk?

ANTWOORD

Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden te vinden op de verschillende punten van de door hem gestelde vraag.

1. De ambtenaren zijn onderworpen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en bijgevolg aan de zorgvuldigheidsplicht. Er wordt nochtans opgemerkt dat in het fiscaal recht het algemeen belang dat elke administratieve overheid moet nastreven om niet in willekeur te vervallen, samenvalt met de juiste heffing van de belasting en dus met de juiste toepassing van de fiscale wet, die een wet van openbare orde is.

2. Enerzijds beschikt de belastingplichtige over de gebruikelijke verhaalmiddelen (bezwaarschrift, vordering in rechte of verhaal voor de rechtbanken of de hoven); anderzijds kan de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar in bepaalde gevallen, ambtshalve ontheffing verlenen.

3. In alle gevallen waar de administratie kennis heeft van feiten waaruit blijkt dat ambtenaren bewust de wet(ten) verkeerd toepassen ten overstaan van belastingplichtigen wordt met de meeste gestrengheid opgetreden. De sancties die hierbij worden getroffen gaan van het maken van strenge, schriftelijke opmerkingen, het inschrijven van vastgestelde ongunstige feiten op de individuele fiche tot het opleggen van één van de in het statuut van het rijkspersoneel opgenomen straffen.

4. De fiscale wetten zijn, zie ook punt 1 hiervoor, van openbare orde.

5. Het absolute recht om de minst belastbare weg te kiezen, werd onder meer gesteld in het Cassatiearrest van 6 juni 1961 inzake Brepols en bevestigd in het Cassatiearrest van 22 maart 1990 inzake SA "Au Vieux Saint-Martin". Artikel 344, § 1, van het WIB 1992, van toepassing op akten gesloten vanaf 31 maart 1993, strekt er toe manoeuvres te bestrijden die erin bestaan via juridische combinaties de belasting te ontwijken. Oneigenlijke kwalificaties kunnen niet aan de administratie worden tegengeworpen (antirechtsmisbruikbepaling).

6, 7 en 8. Het behoort tot de taak van de belastingambtenaar, enerzijds, de belastingplichtige in te lichten over zijn verplichtingen en zijn rechten en, anderzijds, het gelijkheidsbeginsel geformuleerd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te verzekeren door toe te zien op de juiste toepassing van de belastingwet( ten). In deze context kan geenszins worden aanvaard dat de belastingambtenaar zijn medewerking zou verlenen aan belastingontwijking.

9. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen gebiedt de bestuurshandelingen uitgaande van de onderscheiden administratieve overheden uitdrukkelijk te motiveren.