Parlementaire vraag nr. 408 van mevrouw Veerle Wouters van 22.05.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/124 dd. 19.08.2013, blz. 564

Uitwisseling van gegevens tussen de administraties belast met de invordering en de administraties belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen

VRAAG

In zijn arrest van van 16 mei 2013, nr. 66/2013 besluit het Grondwettelijk Hof in r.o. B. 13 dat artikel 319bis, 2e lid, WIB 1992 een evenredige inbreuk vormt op het recht op het privéleven met het oog op de invordering van de inkomstenbelastingen omdat uit de parlementaire voorbereiding duidelijk blijkt dat de wetgever heeft uitgesloten dat de inlichtingen die worden verkregen om de invordering van de belasting mogelijk te maken, zouden worden gebruikt voor de vestiging van de belasting en dat het in artikel 322, § 3, van het WIB 1992 vermeld centraal aanspreekpunt, door de ontvangers wordt beschouwd als een derde. De wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten voorziet echter dat met inachtneming van artikel 4 van deze wet de Federale Overheidsdienst Financiën elk wettelijk verzameld persoonsgegeven in het kader van de uitvoering van één van zijn opdrachten, waaronder de invordering van de belastingen, later kan verwerken in het kader van een andere opdracht.

1. Volgt uit de aanneming van de wet van 3 augustus 2012 dat er voorheen geen gegevens werden uitgewisseld tussen de administraties belast met de invordering en de administraties belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen?

2. Wordt de bedoeling in de parlementaire voorbereidingen, die geleid hebben tot artikel 319bis, 2e lid, WIB 1992, zijnde artikel 8 van de programmawet (I) van 27 december 2006, en artikel 7 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen, overroepen door de uitdrukkelijke wil van de wetgever volgens de wet van 3 augustus 2012 om alle gegevens binnen de FOD Financiën te kunnen uitwisselen?

3. Of is de instantie binnen de FOD Financiën die de toelating zal verlenen voor het uitwisselen van persoonsgegevens, nog steeds gehouden aan de bedoeling van de parlementaire voorbereidingen die geleid hebben tot artikel 319bis, 2e lid, WIB 1992?

4. Heeft deze bedoeling tot gevolg dat de beperkingen voorzien in artikel 3, § 7, van de wet van 3 augustus 2012, niet van toepassing zijn voor de persoonsgegevens met betrekking tot de invordering van de inkomstenbelastingen?

ANTWOORD

1. Op basis van artikel 335 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 konden er tussen de administratie belast met de invordering en de administraties belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen, reeds inlichtingen uitgewisseld worden. Volgens deze bepaling zijn de administraties die ressorteren onder de Federale Overheidsdienst Financiën gehouden alle in hun bezit zijnde toereikende, ter zake dienende en niet overmatige inlichtingen ter beschikking te stellen aan alle ambtenaren van deze Overheidsdienst, voor zover die ambtenaren regelmatig belast zijn met de vestiging of de invordering van de belastingen, en voor zover die gegevens bijdragen tot de vervulling van de opdracht van die ambtenaren tot de vestiging of de invordering van eender welke door de Staat geheven belasting. Het principe van de uitwisseling van inlichtingen tussen de fiscale administraties van de Federale Overheidsdienst Financiën was dus reeds opgenomen in de fiscale wetboeken. De wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten heeft, zoals blijkt uit zijn voorbereidende werkzaamheden, tot doel de huidige toepassing van de gegevensuitwisselingen binnen de Federale Overheidsdienst Financiën in overeenstemming te brengen met de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.

2. en 3. Voornoemde wet van 3 augustus 2012 is een wet met algemene draagwijdte die, waar zij het principe van de gegevensuitwisseling binnen de Federale Overheidsdienst Financiën bevestigt, geen afbreuk heeft gedaan aan de specifieke bepalingen vervat in de fiscale wetboeken die in voorkomend geval afwijken van dit principe. Deze specifieke bepalingen behouden dus hun volledige uitwerking. Bijgevolg, rekening houdend met het principe van de strikte interpretatie van de fiscale wetten en de restrictieve voorwaarden opgelegd door het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (artikel 322, §§ 2 tot 4 en artikel 327, § 3) met betrekking tot de mededeling van bankgegevens aan ambtenaren belast met de vestiging van de belasting, kunnen deze slechts de mededeling van bankgegevens door de ambtenaren belast met de invordering van de belasting verkrijgen met naleving van bovenbedoelde restrictieve voorwaarden.

4. De beperking van het recht op informatie, op toegang en op verbetering van een natuurlijke persoon wanneer deze het voorwerp uitmaakt van een controle of een onderzoek, ingevoegd in artikel 3, § 7, van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, door voormelde wet van 3 augustus 2012 en gewijzigd door de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, maakt geen onderscheid naargelang de controle of het onderzoek plaats heeft in het kader van de vestiging van de belasting of in het kader van de invordering van de belasting.