Parlementaire vraag nr. 748 van de heer van den Abeelen van 10.02.1997

VRAAG 97/748

Vraag nr. 748 van de heer van den Abeelen dd. 10.02.1997


Bull. nr. 775, pag. 2299

Vr. en Antw., Kamer, nr. 79, 1996-1997, blz. 10845-10846

Forfait bakkers.

VRAAG

Blijkens de vigerende regelgeving inzake prijzen is het de bakkers toegestaan om, althans tijdens bepaalde periodes, hun brood onder de reguliere verkoopprijs te verkopen. Uiteraard dient op het einde van het jaar belasting te worden betaald op het totaal van de verkopen; op de totale omzet dus. Bij de bepaling van deze belasting wordt echter geen rekening gehouden met de mogelijkheid toegestaan door de prijsreglementering, gedurende bepaalde periodes onder de normale prijs te verkopen. Immers, de bakkers worden op hun totale omzet belast tegen de normale verkoopprijzen. Het lijkt er dan ook op dat een oorspronkelijk goedbedoelde maatregel - de mogelijkheid namelijk om onder de prijs te verkopen - in de praktijk nadelig uitdraait voor de betrokken bakkers.

1. Is u op de hoogte van de hierboven geschetste problematiek ?


2.


a) Is u van mening dat er hier inderdaad sprake is van een scheefgetrokken situatie ten nadele van de bakkers ?

b) Zo ja, overweegt u om - vanuit uw bevoegdheid inzake prijsvorming en prijsreglementering - maatregelen te nemen en welke ?



c)Indien niet, waarom ?
ANTWOORD

Het geacht lid bedoelt klaarblijkelijk de bakkers die worden belast volgens de overeenkomstig artikel 342, § 1, tweede lid, van het Wetboek op de inkomstenbelastingen 1992 vastgestelde forfaitaire grondslagen van aanslag waarvan de toepassingsregels en -modaliteiten, met akkoord van de betrokken beroepsgroeperingen, bepalen dat het bedrag van de omzet of van de ontvangsten van de producten van de bakkerij forfaitair wordt verkregen door de gereglementeerde verkoopprijs van het brood in aanmerking te nemen.

De forfaitaire grondslagen van aanslag kunnen uit hun aard geen rekening houden met bijzondere omstandigheden. Met elementen die nu eens gunstig en dan weer ongunstig zijn voor een of andere afzonderlijk beschouwde belastingplichtige, vormen zij nochtans een evenwichtig geheel.

Het spreekt vanzelf dat de belastingplichtigen die oordelen dat zij de aanslag overeenkomstig die grondslagen in hun geheel genomen niet kunnen aanvaarden, onder controle van de administratie, steeds het bedrag kunnen vaststellen en aangeven van de door hen werkelijk behaalde winst.

In die omstandigheden is hier geen sprake van een scheefgetrokken situatie ten nadele van de bakkers.