Parlementaire vraag nr. 322 van de heer Daems van 05.03.1996
VRAAG 96/322
Bull. nr. 765, pag. 2321
Abnormale of goedgunstige voordelen - Gedeeltelijk aftrekverbod
Bij samenlezing van de bepalingen van de artikelen 79 en 199 tot 207 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 74 tot 79 van het koninklijk besluit tot uitvoering van dit wetboek en van sommige bijzondere wetten, blijkt dat er een gedeeltelijk aftrekverbod werd ingesteld op het totaal bedrag van de door een rechtspersoon behaalde abnormale of gunstige voordelen. Dit gedeeltelijk aftrekverbod geldt onder meer op de vrijgestelde dividenden (koninklijk besluit 15/150), vrijgestelde giften, vrijstelling KMO, aftrek definitief belaste inkomsten, vorige verliezen en op de investeringsaftrek. Een vennootschap die renteloos of tegen een verlaagde interestvoet gelden ter beschikking stelt aan een verwante vennootschap kent deze laatste, overeenkomstig de administratieve commentaar en constante rechtspraak, een soortgelijk abnormaal en gunstig voordeel toe.
1. In welke wettelijke volgorde en in welke precieze verschillende vakken of gecodeerde rubrieken van het aangifteformulier nr. 275.1, dient per afzonderlijk te beperken bestanddeel, dit gedeeltelijk aftrekverbod officieel te worden toegepast en concreet verwerkt ?
2. In welke mate en in welke wettelijke of reglementaire volgorde kunnen sommige van die afzonderlijke bestanddelen al dan niet beperkt of onbeperkt worden overgedragen naar één of meer aanslagjaren ?
3.
| a) | Tegen welke fiscaal verantwoorde en gemiddelde jaarlijkse interestvoet dient op het werkelijk verloop van de crediteurenrekening dit behaald abnormaal of gunstig voordeel daadwerkelijk te worden becijferd ? |
| b) | Kan een tarief van 6 % als normaal worden beschouwd ? |
| c) | Dienen de bepalingen van artikel 36, tweede lid, WIB 1992 als richtsnoer te worden gehanteerd ? |
4. In welk vak of gecodeerde rubriek van het aangifteformulier (cf. artikel 307 WIB 1992) dient het totaal bedrag van de behaalde abnormale of gunstige voordelen te worden opgenomen ?
5. Op welke wijze dient, wanneer het gedeeltelijk aftrekverbod betrekking heeft op de investeringsaftrek, het formulier 276U geldig te worden ingevuld ?
ANTWOORD
Het geacht lid gelieve hierna het antwoord te vinden op de gestelde vragen.
1. De bedoelde aftrekkingen moeten worden uitgevoerd in de volgorde zoals vermeld in de artikelen 76, 2°, tot 79 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/ WIB 1992), dit wil zeggen dat bij voorrang de in de zogenaamde derde bewerking beoogde aftrek (niet-belastbare bestanddelen) moet worden verricht, daarna deze van de definitief belaste inkomsten en de vrijgestelde roerende inkomsten, vervolgens die van de vorige beroepsverliezen en tenslotte in laatste instantie die van de investeringsaftrek, door voor elk van die bestanddelen in het aangifteformulier op de daartoe voorziene regels het bedrag te vermelden dat effectief voor het desbetreffende belastbare tijdperk mag worden afgetrokken.
2. Enkel de beroepsverliezen en de investeringsaftrek, die in toepassing van het bedoelde aftrekverbod niet van de winst van het belastbare tijdperk mogen worden afgetrokken, kunnen in toepassing van de respectieve artikelen 206 en 72 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), in principe onbeperkt op de winst van de volgende belastbare tijdperken worden overgedragen.
3. Luidens de gevestigde rechtspraak wordt het voordeel ingevolge het toestaan van een renteloze lening berekend op grond van een normale rentevoet. Het bedrag van het voordeel moet in principe worden bepaald op de werkelijke waarde welke die voordelen hebben bij de verkrijger, zodat voor de vaststelling van de voormelde rentevoet in de regel de in artikel 55, WIB 1992, bedoelde marktrente in aanmerking moet worden genomen. In voorkomend geval kan evenwel, naar analogie, ook gebruik worden gemaakt van de door het geacht lid in het koninklijk besluit, WIB 1992, bedoelde forfaitaire ramingen (zie nr. 26/34 van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).
4. De in de artikelen 79 en 207, tweede lid, WIB 1992, vermelde abnormale of goedgunstige voordelen hebben onrechtstreeks een weerslag op de resultatenrekening van de verkrijgers ervan, zodat het in het onderhavige geval niet nodig is een specifieke rubriek in de fiscale aangifte te voorzien. De in die artikelen voorgeschreven beperking zal in de vennootschapsbelasting moeten worden toegepast bij het bepalen van het bedrag van de in de artikelen 199 tot 206, WIB 1992, voorziene aftrekken.
5. Het bedrag van de investeringsaftrek dat, rekening houdend met het bedoelde aftrekverbod, effectief van de winst van het belastbare tijdperk mag worden afgetrokken, moet op de regel H van vak 1 van het formulier 276 U worden vermeld, terwijl het bedrag dat in toepassing van het voormelde aftrekverbod naar latere tijdperken moet worden overgedragen begrepen is in het bedrag vermeld op de regel 1 van hetzelfde vak.
Bron: FisconetPlus
