Parlementaire vraag nr. 1331 van de heer Didden van 21.04.1998

VRAAG 98/1331
Bull. nr. 789, pag. 126
Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 143, blz. 19680-19682
Vraag om inlichtingen - Geen motivering
VRAAG
Herhaaldelijk stellen wij vast dat de belastingplichtigen eigenaardige ervaringen hebben aangaande de toepassing van artikel 316, WIB 1992 en document 332.
Indien de belastingplichtigen opheldering verlangen aangaande de vragen gesteld in document 332, weigeren de administraties te antwoorden en gaan tot aanslag over.
Meer en meer stel ik vast dat de belastingplichtigen aan de controleur vragen om artikel 316, WIB 1992, niet te gebruiken en om artikel 315, WIB 1992, toe te passen om rechtszekerheid te hebben, maar de administratie weigert.
De belastingplichtigen zijn de mening toegedaan dat behoorlijk bestuur veronderstelt dat alleen twijfel bestaat voor die gegevens die vermeld worden in de vragen van document 332. Voor al de andere onderdelen van de aangifte moet worden aangenomen dat hun aangifte correct is.
1. Is het WIB 1992 (van openbare orde) onderworpen aan de beginselen van het gelijkheidsprincipe en is "in dubio contra fiscum" een absolute regel?
2. Meent u dat het begrip "bestuursdocument" breed dient te worden opgevat, zoals de Raad van State dit stelt?
3. Wie is de uiteindelijke rechthebbende om uit te maken of artikel 315 of 316 van het WIB 1992 gebruikt mag worden?
4. Bent u van mening dat, indien de controleur weigert om over te gaan tot een controle op uitdrukkelijke vraag van de belastingplichtige, de aanslag die hierop volgt onwettig is?
5. Heeft de controleur het recht op basis van het WIB 1992 te weigeren te antwoorden op vragen om opheldering door de belastingplichtige aangaande de vragen gesteld in document 332, teneinde in eer en geweten hierop te kunnen antwoorden?
6. Bent u van mening dat, indien geen enkel artikel in het WIB 1992 bepaalt dat de antwoorden op document 332 verstuurd dienen te worden naar de controlediensten, hieruit de belastingplichtige mag besluiten dat de antwoorden haalbaar en niet draagbaar zijn "in dubio contra fiscum"?
7. Bent u van mening dat het niet-versturen van de antwoorden op document 332 geen aanleiding kan geven tot een aanslag van ambtswege?
8. Bent u van mening dat, indien de controlediensten weigeren te antwoorden op vragen gesteld door de belastingplichtige aangaande de vragen in document 332, er geen aanslag mag worden gevestigd?
9. Bent u van mening dat het WIB 1992 stelt dat de controlediensten niet mogen eisen dat stukken van de belastingplichtigen dienen gebracht of verstuurd te worden naar de controlediensten?
10. Bent u van mening dat, indien de controlediensten weigeren op vraag van de belastingplichtige om een grondige controle te doen op de zetel van de maatschappij, de aanslag die hierop volgt onwettig is?
11. Bent u van mening dat document 332 en de aanslag van ambtswege of de wijziging van aanslag, die hierop volgt aanleiding kan geven tot een aanslag, deze inhouden dat ook al deze documenten, inclusief document 332, dienen gemotiveerd te worden omdat juridisch de bijzaak altijd de hoofdzaak volgt?
ANTWOORD
Ik heb de eer het geacht lid vooreerst te verwijzen naar de antwoorden op zijn vragen nr. 876 van 2 mei 1997 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997- 1998, nr. 106, blz. 14398 en volgende) en 885 van 6 mei 1997 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 1997-1998, nr. 115, blz. 15753 en volgende).
Artikel 316 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt dat, onverminderd het recht van de administratie tot het vragen van mondelinge inlichtingen, eenieder die onderhevig is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting, de rechtspersonenbelasting of de belasting van niet-inwoners verplicht is de administratie, op haar verzoek, binnen een maand na de datum van verzending van de aanvraag, welke termijn wegens wettige redenen kan worden verlengd, schriftelijk alle inlichtingen te verstrekken die van hem worden gevorderd met het oog op het onderzoek van zijn fiscale toestand.
Een schriftelijke vraag om inlichtingen is geen bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Een dergelijke vraag dient derhalve niet te worden gemotiveerd, noch kan van de taxatieambtenaar worden geëist daaromtrent enige verklaring of verantwoording af te leggen. Wel dient die ambtenaar er zorg voor te dragen slechts een goed overwogen en gematigd gebruik te maken van de bevoegdheid die hem is verleend (zie Parl. st., Senaat, 1961-1962, nr. 366, blz. 292). Het is overigens niet aanvaardbaar dat de administratie zulkdanige opzoekingen en zoveel werk zou vragen dat ze voor de belastingplichtige ongehoord tijdverlies en kosten zouden medebrengen (Parlementaire handelingen, Kamer, 15 juni 1962, blz. 85).
Anderzijds rust op de belastingplichtige de plicht schriftelijk de gevraagde inlichtingen te verstrekken en dit binnen de in het genoemde artikel vastgelegde termijn. Dit betekent mijns inziens dat het antwoord wel degelijk draagbaar (= aan de afzender te bezorgen) is en niet haalbaar (= ter beschikking van de afzender te houden). In geval van gebrek aan schriftelijk antwoord. heeft de administratie bovendien het recht de aanslag van ambtswege te vestigen (zie artikel 351, eerste lid, vierde streepje, WIB 1992).