Parlementaire vraag nr. 265 van de heer Loones van 13.06.1997
VRAAG 97/265
Bull. nr. 778, pag. 153
Vr. en Antw., Senaat, nr. 1-53, 1996-1997, blz. 2698-2700
Vermindering OV. - Huurder.
SAMENVATTING
De enige mogelijke procedure om aan de bewoner-huurder de vermindering van de onroerende voorheffing te verlenen, bestaat erin, de aanslag op naam van de in het kohier opgenomen belastingschuldige te ontheffen ten belope van de vermindering die toekomt aan zijn huurder. Deze laatste kan dit bedrag vervolgens van zijn huur aftrekken niettegenstaande elk hiermee strijdig beding.
De speciaal daarvoor ontworpen aanvraag om vermindering van de onroerende voorheffing nr. 179.1, kan in alle ontvangkantoren der belastingen van het land worden verkregen en dit formulier kan zowel door de wettelijke belastingschuldige van de onroerende voorheffing als door de bewoner-huurder van de woning worden gebruikt.
VRAAG
Elk gezin met twee of meer kinderen in leven heeft, volgens de fiscale wetgeving van 1992, recht op een vermindering van 10 %, per kind ten laste, op de onroerende voorheffing van hun woning.
Samen met de Bond van Grote en Jonge Gezinnen stellen we vast dat er nog steeds een aantal gezinnen niet van deze vermindering genieten. Deze situatie valt dan ook sterk te betreuren.
Vooral grote gezinnen die een sociale woning huren in het Vlaams Gewest, ontvangen de vermindering van onroerende voorheffing (waar ze volgens de federale wetgeving recht op hebben) niet.
Dit komt doordat het Vlaams Gewest dit bedrag aftrekt van de huurvermindering die zij toekent aan grote gezinnen.
In feite zou aan de commissarissen van de sociale huisvesting de taak moeten worden gegeven, te controleren of de erkende sociale- huisvestingsmaatschappijen de vermindering van onroerende voorheffing effectief aanvragen voor deze gezinnen en hen dit ook doorstorten.
Graag kreeg ik een antwoord op volgende vragen:
1. Bestaat de mogelijkheid dat het cumuleren van die twee voordelen, die samenhangen met het hebben van meerdere kinderen, wordt toegelaten?
2. Is de geachte minister bereid het recht op het aanvragen van vermindering van onroerende voorheffing om te vormen tot het automatisch toekennen ervan?
3. Kan aan het takenpakket van de commissarissen van de sociale huisvesting bovenvermelde controletaak worden toegevoegd?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vragen.
1 en 3. De in artikel 257, 3°, WIB 92, bedoelde vermindering wordt steeds toegestaan aan de belastingschuldige, maar wegens de hoedanigheid van de persoon die de betreffende woning op 1 januari van het aanslagjaar betrekt.
Zij is dus voor deze laatste bestemd en hij mag, op grond van artikel 259 WIB 92, indien hij niet zelf de belastingschuldige is van de voorheffing, de vermindering aftrekken van het bedrag van de huur niettegenstaande elk hiermee strijdig beding. Het recht op deze vermindering is bijgevolg een absoluut recht, waarvan niet kan worden afgeweken.
De toelating tot het cumuleren van de vermelde vermindering van onroerende voorheffing en de huurvermindering van een sociale woning valt bijgevolg, in het aangehaald geval, onder de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. De sociale huisvesting is immers een gewestelijke materie.
Om dezelfde reden behoort het opleggen van de controletaken aan de commissarissen van de sociale huisvesting evenmin tot mijn bevoegdheid.
2. De gegevens waarover de administratie beschikt en die haar zouden moeten toelaten de in artikel 257, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bedoelde vermindering van onroerende voorheffing wegens gezinslasten automatisch te verlenen, worden haar voornamelijk ter kennis gebracht via de aangifte in de personenbelasting, waarin het aantal kinderen ten laste wordt vermeld. Het aantal kinderen ten laste vormt echter slechts een deel van de elementen die in acht moeten worden genomen voor het verlenen van de vermelde vermindering en is dus op zichzelf niet voldoende om de vermindering automatisch toe te staan.
Die vermindering, die moet worden beoordeeld met inachtneming van de toestand op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar voor de onroerende voorheffing wordt genoemd, wordt voor het aantal kinderen ten laste en voor gehandicapte personen ten laste inderdaad slechts verleend indien het gezin ten minste twee kinderen in leven of een in de zin van artikel 135, eerste lid, 1°, WIB 92, gehandicapte persoon telt.
Daarenboven mag zij slechts slaan op één enkele eventueel door de betrokkene aan te wijzen woning en is zij niet van toepassing op het gedeelte van de woning dat wordt bewoond door personen die niet tot het gezin van het gezinshoofd behoren, noch op het deel dat voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid wordt gebruikt, wanneer het gedeelte van het inkomen dat daarop betrekking heeft meer bedraagt dan een vierde van het kadastraal inkomen van de gehele woning.
Anderzijds wordt de vermelde vermindering verleend ten gunste van de bewoner van de woning, zelfs ingeval deze niet de belastingschuldige is in de zin van artikel 251 van hogergenoemd wetboek. In dit laatste geval, namelijk als de bewoner huurder is, is het onmogelijk hem rechtstreeks de vermindering te verlenen waarop hij wettelijk aanspraak kan maken, omdat de aanslag in de onroerende voorheffing niet op zijn naam wordt gevestigd maar wel, naargelang het geval, op naam van de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de woning.
De enige mogelijke procedure om aan de bewoner-huurder de vermindering van de onroerende voorheffing waarvan hij wettelijk geen belastingschuldige is te verlenen, bestaat er bijgevolg in, de aanslag op naam van de in het kohier opgenomen belastingschuldige te ontheffen ten belope van de vermindering die toekomt aan zijn huurder. Deze laatste kan dit bedrag vervolgens op grond van artikel 259, WIB 92, van zijn huur aftrekken niettegenstaande elk hiermee strijdig beding.
Deze procedure houdt evenwel in dat de administratie der Directe Belastingen tegelijkertijd over de gegevens beschikt die haar in de gelegenheid stellen zowel de in het kohier vermelde belastingschuldige van de onroerende voorheffing te identificeren, als de woning - eventueel het deel van de woning - en het daarop betrekking hebbende kadastraal inkomen te bepalen, dat voor de berekening van de vermindering terzake in aanmerking wordt genomen. Deze aanduidingen, evenals het merendeel van de hierboven opgesomde gegevens, worden in geen enkele rubriek van de aangifte in de personenbelasting vermeld.
Bovendien lijkt het mij niet mogelijk die aangifte aan te vullen met rubrieken om het van ambtswege verlenen van de vermindering van de onroerende voorheffing mogelijk te maken, temeer daar zij hoofdzakelijk de bepaling van de belastbare inkomsten in de personenbelasting ten doel heeft. In dit opzicht wordt beklemtoond dat een arrest van de Raad van State van 29 mei 1985 (Bulletin der belastingen 643, blz. 2301), deel 3 van de voormelde aangifte heeft vernietigd omdat inlichtingen werden gevraagd die geen verband hielden met de vastlegging van de in de personenbelasting belastbare inkomsten.
De automatische verlening van de vermindering van onroerende voorheffing op basis van de gegevens die eventueel voorkomen in de aangifte in de personenbelasting, kan ten andere slechts gebeuren naarmate de controle van die aangiften vordert, zodat de betrokkenen de vermindering van onroerende voorheffing slechts met een niet onaanzienlijke vertraging in vergelijking met het huidige systeem zouden kunnen genieten. Daarenboven mag niet worden vergeten dat ongeveer een miljoen belastingplichtigen vrijgesteld zijn aan het jaarlijks indienen van zulke aangifte.
Tenslotte blijkt de meest aangewezen manier om gemakkelijk de vermindering van onroerende voorheffing te verkrijgen, zoals thans het geval is, een aanvraag bij de betrokken dienst der Directe Belastingen in te dienen. De speciaal daarvoor ontworpen aanvraag om vermindering van de onroerende voorheffing nr. 179.1, kan in alle ontvangkantoren der belastingen van het land worden verkregen en dit formulier kan zowel door de wettelijke belastingschuldige van de onroerende voorheffing als door de bewoner-huurder van de woning worden gebruikt.
Ik wens hier nog aan toe te voegen dat de vermindering, eenmaal voor een welbepaald aanslagjaar verleend, in principe automatisch voor de volgende aanslagjaren wordt verleend, onder voorbehoud van de wijzigingen in de toestand die aan de administratie zouden worden medegedeeld of die de administratie tijdens de uitvoering van haar onderzoek zou vaststellen.
Bron: FisconetPlus
