Parlementaire vraag nr. 1330 van de heer Luk Van Biesen van 01.12.2016
Parlementaire vraag nr. 1330 van de heer Luk Van Biesen dd. 01.12.2016
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/100, dd. 23.12.2016, blz. 318
Belastingvrije splitsing (MV 14340)
VRAAG
Luidens artikel 213, 1e lid Wetboek der inkomstenbelastingen (WIB) wordt bij een belastingvrije splitsing het (fiscaal) volstort kapitaal van de gesplitste vennootschap evenredig verdeeld volgens de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van de andere betrokken vennootschappen gedane inbreng. Bij een partiële splitsing geldt hetzelfde principe op basis van artikel 213, 3e lid WIB. De omschrijving van het (fiscaal) volstort kapitaal is opgenomen onder artikel 184 en volgende WIB. Er zijn echter de jongste jaren een aantal fiscale maatregelen ingevoerd die aanleiding geven tot het bestaan van verschillende componenten binnen het (fiscaal) volstort kapitaal. Ik verwijs naar volgende bepalingen:
- geïncorporeerde reserves die reeds een roerende voorheffing van 10 % hebben ondergaan conform artikel 537 WIB;
- inbrengen in speciën vanaf 1 juli 2013 waarvoor de in ruil ontvangen aandelen bij een dividend slechts 15 of 20 % roerende voorheffing verschuldigd zijn (artikel 269, § 2 WIB). Gelet op de specifieke fiscale gevolgen die de voormelde componenten van het (fiscaal) volstort kapitaal bezitten, is het van belang zekerheid te hebben omtrent de verdeling van deze componenten naar aanleiding van een belastingvrije splitsing. Kan u aangeven of de gesplitste vennootschap een keuze heeft inzake de verdeling van de verschillende componenten van het (fiscaal) volstort kapitaal dan wel dat de verdeling van alle componenten ook plaats vindt in evenredigheid volgens de fiscale nettowaarde van de door de gesplitste vennootschap aan elk van de andere betrokken vennootschappen gedane inbreng? Of geldt dit antwoord zowel wat betreft het kapitaal gevormd door inbrengen conform artikel 537 WIB als artikel 269, § 2 WIB?
ANTWOORD
De bepalingen van de artikelen 269, § 2 en 537 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen doen geen afbreuk aan de toepassing van de huidige wettelijke en administratieve bepalingen die betrekking hebben op de verdeling van het gestorte kapitaal in het kader van een belastingvrije of partiële splitsing. Dat houdt in principe in dat het gestorte kapitaal van de gesplitste vennootschap, dat in voorkomend geval uit verschillende componenten kan bestaan, moet worden verdeeld overeenkomstig de fiscale nettowaarde van de bestanddelen die door de overnemende of verkrijgende vennootschappen worden overgenomen of verkregen. Wat betreft de toepassing van de verlaagde aanslagvoet van de roerende voorheffing met betrekking tot de dividenden van aandelen die verband houden met nieuwe inbrengen in geld, bepaalt artikel 269, § 2, uitdrukkelijk dat die aandelen nieuw moeten zijn en op naam. Bijgevolg moet, in het geval van een splitsing, het fiscale voordeel dat voorwaardelijk verbonden is aan die aandelen, kunnen worden beoordeeld voor elk nieuw aandeel dat door de overnemende of verkrijgende vennootschappen wordt uitgegeven in ruil voor de aandelen zoals bedoeld in dat artikel 269, § 2. Die aandelen van de overnemende of verkrijgende vennootschappen zullen dus op naam moeten blijven.
