Parlementaire vraag nr. 359 van mevrouw Pieters van 21.05.2001

VRAAG 01/359
Bull. nr. 824, pag. 1051
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 91, blz. 10403
Hoorrecht - Inzagerecht
VRAAG
In het licht van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het totaal respect voor de rechten van de verdediging hebben het «inzagerecht» en het «hoorrecht» voor de belastingplichtige welbepaalde raakpunten.
Krachtens de bepalingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur is het inzagerecht een algemeen recht dat op elk ogenblik van de fiscale procedure kan worden uitgeoefend (zie ook het arrest van de Raad van State, nr. 66860 van 18 juni 1997).
Daarentegen kan met ingang van 1 januari 1999 overeenkomstig artikel 374, derde lid, WIB 1992 het recht om te worden «gehoord» in beginsel alleen nog worden uitgeoefend in het kader van de bezwaarprocedure.
Geplaatst tegenover de bepalingen van artikel 316, eerste zinsdeel, WIB 1992 en het administratief commentaar nr. 316/4 rijzen terzake de onderstaande «algemene» praktische vragen.
1. Inzake het gehoord worden (artikel 374, derde lid, WIB 1992-nieuw):
a) Hoe definiëren de belastingadministraties het begrip «gehoord» worden?
b) Gaat het zowel om een «hoorrecht» als om een «hoorplicht » en mogen zowel de belastingplichtigen als de geschillen-ambtenaren hierbij ook wederzijds mondeling vragen aan elkaar stellen ?
c ) Op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen kunnen de belastingplichtigen effectief worden verplicht schriftelijk te attesteren dat zij inderdaad werden «gehoord»?
d) Welke fiscale en/of andere administratieve of strafrechtelijke sancties kunnen aan de belastingplichtigen worden opgelegd wanneer zij terzake geen schriftelijke verklaring wensen af te leggen? Welke praktische vormvoorschriften werden door de belastingadministraties dienaangaande uitgevaardigd?
e) Op welke concrete wijze moeten de tussenkomende en gelegitimeerde belastingambtenaren, in het bezit van hun aanstellingsbewijs overeenstemmend met hun huidige graad, van een eventuele weigering van belastingplichtigen en/of van hun gevolmachtigde raadsman officieel akte nemen?
f) Welke algemene houding en/of schriftelijke reactie dienen de belastingambtenaren aan te nemen wanneer de belastingplichtigen reeds vóór het inzetten van de bezwaarprocedure wensen «gehoord» te worden of hun fiscale ziens- en handelwijze diepgaander wensen toe te lichten, dit vooral gezien in het licht van alle beginselen van een behoorlijk bestuur en naar analogie met de onderrichtingen vervat onder de nummers 316/9 en 346/46, derde lid, van het administratief commentaar op het WIB 1992?
Op welke wijze dient van dit «gehoord» worden officieel akte te worden genomen ?
g) Zijn de onderzoekende en/of de beslissende geschillen-ambtenaren ter gelegenheid van het uitoefenen van het hoorrecht verplicht aan de belastingplichtige hun definitief standpunt over het bezwaarschrift reeds voorafgaandelijk kenbaar te maken of mag of moet dienaangaande steeds zonder meer het stilzwijgen worden bewaard?
Wat zegt de recente rechtspraak hieromtrent en wat zijn de huidige aanbevelingen van de administraties ?
2. Inzake het inzagerecht en het recht tot kopiename (wet 11 april 1994) :
a) Houdt dit in dat met de belastingplichtigen terzelfder tijd in om het even welk stadium van de onderzoeks-, taxatie- of bezwaarprocedure meteen een verdere fiscale discussie «moet» worden aangegaan of mag of moet die inzage verlenende belastingambtenaar daarentegen hierbij altijd het volstrekte stilzwijgen bewaren ?
b) Op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen kunnen de belastingplichtigen worden verplicht schriftelijk te attesteren dat hun « inzage» en «kopiename» werd verleend van alle stukken uit hun belastingdossiers die het beroepsgeheim van de belastingambtenaren niet schenden ?
c) Welke fiscale en/of andere administratieve of strafrechtelijke sancties kunnen aan de belastingplichtigen worden opgelegd wanneer zij terzake geen schriftelijke verklaring wensen af te leggen? Welke algemene praktische vormvoorschriften werden door de DB- en AOIF-belastingadministraties en/ of andere federale administraties dienaangaande reeds gezamenlijk uitgevaardigd ?
d) Op welke concrete wijze moeten de tussenkomende belastingambtenaren, in het bezit van hun geactualiseerd aanstellingsbewijs, van een eventuele weigering van belastingplichtigen en/of van hun gevolmachtigde raadsmannen officieel akte nemen?
e) Welke klantvriendelijke houding en/of schriftelijke reactie moeten de belastingambtenaren aannemen wanneer de belastingplichtigen ter gelegenheid van die « inzage » en die «kopiename» tevens de expliciete wens hebben uitgedrukt ook behoorlijk te worden «gehoord»?
3. Dient bij een laattijdig of een ongeldig bezwaarschrift, waarbij naderhand de bepalingen van artikel 376, WIB 1992 moeten worden toegepast (zie Com.IB nr. 375/25) het «hoorrecht» eveneens worden verleend ?
4. Mag zowel het «inzagerecht» als het «hoorrecht» eveneens worden uitgeoefend ten huize van de belastingplichtige (natuurlijk persoon) of op de maatschappelijke zetel of exploitatiezetel van de betrokken vennootschappen, dit onder meer gezien in het licht van de bepalingen van de artikelen 315 en 374, eerste lid, WIB 1992 ?
5. Kan u, punt per punt, uw algemene ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de bepalingen van zowel artikel 32 van de Grondwet, de algemene wet van 11 april 1994, artikel 374, eerste en derde lid, als van alle algemene beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk openbaar bestuur ?
ANTWOORD
1. De interpretatie van de verschillende artikelen van het Wetboek van inkomstenbelasting is een zuiver fiscale aangelegenheid en behoort bijgevolg tot de bevoegdheid van de minister van Financiën. Dit geldt ook voor de wijze waarop binnen het ministerie van Financiën het recht om gehoord te worden concreet wordt georganiseerd.
2. De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur kent iedereen een recht op het raadplegen van een bestuursdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument toe. Dit houdt volgens artikel 4 van deze wet in dat «eenieder, volgens de voorwaarden bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dienomtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift ervan kan ontvangen». In uitvoering van artikel 32 van de Grondwet, gaat deze wet ervan uit dat in principe elk bestuursdocument openbaar is, tenzij uitzonderingsgronden moeten of kunnen ingeroepen worden die bij wet, decreet of ordonnantie zijn vastgelegd.
Het recht van toegang dat de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur garandeert, is slechts van toepassing op bestuursdocumenten wat betekent dat dit recht maar bestaat ten aanzien van alle informatie voor zover zij gematerialiseerd is.
De wet van 11 april 1994 gaat ervan uit dat niet in abstracto kan bepaald worden of een bepaald bestuursdocument openbaar kan gemaakt worden. Om na te gaan of een bepaalde uitzonderingsgrond moet of kan ingeroepen worden, verricht de administratieve overheid waarbij een vraag om openbaarmaking werd ingediend, een onderzoek in concreto van het bestuursdocument waarvan de toegang gevraagd wordt. Het is bijgevolg niet mogelijk om in abstracto te bepalen of documenten die deel uitmaken van een fiscaal dossier openbaar zijn.
Het recht op uitleg dat de wet van 11 april 1994 aan de aanvrager toekent, houdt in dat hij uitleg kan krijgen over wat in een bepaald bestuursdocument is opgenomen. Dit recht op uitleg laat niet toe dat de motivering van de beslissing ter discussie wordt gesteld, maar enkel dat verduidelijkt wordt wat in het document staat. Uit de openbaarheid van bestuur kan ook geen recht om gehoord te worden afgeleid worden.
Alhoewel het attesteren door een belastingplichtige dat hem of haar « inzage » en «kopiename» werd verleend niet berust op een wettelijke en/of reglementaire bepaling, toch is het een daad van goed bestuur, dat een bestuur - juist omwille van de grote hoeveelheid aanvragen - hiertoe overgaat om eventuele discussie in de toekomst te vermijden. De wet van 11 april 1994 en haar uitvoeringsbesluiten verhinderen alvast niet dat een administratieve overheid hierom verzoekt voor zover dit attesteren natuurlijk plaatsvindt nadat het recht van toegang werd uitgeoefend en uitdrukkelijk wordt vermeld op welke bestuursdocumenten het inzagerecht betrekking had. Op dit vlak werden er alvast geen gemeenschappelijke algemene praktische vormvoorschriften door de federale administraties uitgevaardigd. Wat het ministerie van Financiën betreft, dient u zich te wenden tot de minister van Financiën.
De wijze waarop een aanvrager zijn recht van toegang tot bestuursdocumenten kan uitoefenen is duidelijk bepaald in de wet van 11 april 1994 zelf en in het koninklijk besluit van 30 augustus 1996 tot vaststelling van het bedrag van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument (Belgisch Staatsblad van 20 september 1996, blz. 24504-24505). De aanvraag moet schriftelijk plaatsvinden hetzij door de aanvrager die zich persoonlijk bij de betrokken administratieve overheid meldt en deze een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier overhandigt, hetzij, door een brief gericht aan de betrokken administratieve overheid, met vermelding van de naam en het adres van de aanvrager. De verzoeker vermeldt op het aanvraagformulier of in de brief of hij het afschrift persoonlijk in ontvangst wil nemen bij de administratieve overheid, dan wel of dit afschrift hem per post moet worden toegezonden. In dit laatste geval wordt het afschrift hem bij aangetekende brief toegestuurd. De wetgeving gaat er bijgevolg van uit dat het inzagerecht slechts kan uitgeoefend worden bij een administratieve overheid en niet ten huize van de belastingplichtige of op de maatschappelijke zetel of exploitatiezetel van de betrokken vennootschappen.