Parlementaire vraag nr. 682 van mevrouw Pieters van 07.03.2005
VRAAG 05/682
Vraag nr. 682 van mevrouw Pieters dd. 07.03.2005
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 114, blz. 21890-21893
Beroepskosten - Bezoldigingen voor prestaties of diensten - Landen met "aanzienlijk gunstigere belastingregeling"
VRAAG
Krachtens artikel 54, WIB 1992 kunnen onder andere bezoldigingen voor prestaties of diensten, niet als beroepskosten worden aangemerkt indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald of toegekend aan een in artikel 227 vermelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of voor zulke inkomsten aldaar aan een «aanzienlijk gunstigere belastingregeling» zijn onderworpen dan die waaraan die inkomsten in België zijn onderworpen, tenzij de belastingplichtige door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij verband houden met werkelijke en oprechte verrichtingen en mits zij «de normale» grenzen niet overschrijden.
1.
a) Is dit artikel eveneens integraal en onbetwistbaar volledig van toepassing inzake vennootschapsbelasting ?
b) Zo ja, op grond van welke precieze en uitdrukkelijk wettelijke en/of reglementaire (uitvoerings) bepaling(en) ?
2. Op wie rust de eerste bewijslast en voor welke elementen en op wie rust vervolgens het tegenbewijs zowel in fase van taxatie als in bezwaarfase ?
3. Kan er terzake een «geactualiseerde» lijst van fiscale «vluchtlanden» en/of van «belastingparadijzen» worden verstrekt ?
4.
a) Gaat het hier uitsluitend om «bezoldigingen» in de wettelijke zin van de artikelen 30, 31, 32 en 33, WIB 1992 waarvan sprake in hetzelfde hoofdstuk II van titel II van genoemd fiscaal Wetboek ?
b) Zo neen, waarom zou, gelet op de hiërarchie der rechtsnormen, hieraan eventueel een andere interpretatie moeten worden gegeven ?
5.
a) Hoe definiëren de belastingadministraties het begrip «prestaties» ?
b) Hoe definiëren de belastingadministraties het begrip «diensten» ?
c) Gaat het hier over «bezoldigingen» betaald, toegekend of geboekt enerzijds omwille van prestaties of taken geleverd door loontrekkende arbeiders en anderzijds omwille van diensten of werkzaamheden geleverd door loontrekkende bedienden of hoofdarbeiders in een band van ondergeschiktheid ?
6. Hoe omschrijven of definiëren de administraties het begrip «aanzienlijk gunstiger belastingregeling» ?
7. Wat verstaan de belastingadministraties onder «normale grenzen» ?
8. Kan u afzonderlijk, punt per punt, uw strikte interpretatie meedelen vermits het hier om een uitzonderingsprocedure gaat en uw algemene ziens- en handelwijze in het licht van de wettelijke bepalingen van artikel 54, WIB 1992 en van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 21.03.2006)
1. De door het geachte lid gestelde vraag houdt een bevestigend antwoord in. Uit de bepalingen van de artikelen 54 en 183 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) volgt dat de toepassing van artikel 54, WIB 1992 niet is uitgesloten inzake de vennootschapsbelasting.
2. Ik kan het geachte lid meedelen dat de in haar vraag bedoelde begrip bewijslast wordt uiteengezet in de parlementaire werkzaamheden voorafgaand aan de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 444/9, blz. 131).
3. Voor de toepassing van het artikel 54, WIB 1992 kan de lijst met landen, als bedoeld in artikel 73 quater, koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 1992) bijdragen tot het bepalen van een vermoeden dat er een aanzienlijke gunstigere belastingregeling bestaat dan in België.
4. De door het geachte lid gestelde vraag houdt een ontkennend antwoord in. Immers, uit de uitdrukkelijke bepalingen van het artikel 54, WIB 1992 volgt dat het begrip «bezoldiging voor prestaties of diensten» een ruimere betekenis heeft dan het begrip bezoldigingen van personen zoals bedoeld in artikel 30, WIB 1992.
5. Daar de begrippen «prestaties» en «diensten» niet omschreven zijn in het WIB 1992 en het koninklijk besluit/WIB 1992 en daarenboven in de gemeenrechtelijke bepalingen geen omschrijving van de betreffende begrippen voorkomt, moeten deze begrippen in de meest ruime betekenis van het woord worden geïnterpreteerd.
Betreffende punt c) verwijs ik het geachte lid naar het antwoord dat werd gegeven onder punt 4 en naar de voorbeelden van de bezoldigingen voor prestaties of diensten, zoals opgesomd in de parlementaire werkzaamheden voorafgaand aan de wet van 23 februari 1954 ( Parl. St., Kamer, 1953-1954, doc. 9, blz. 3) waaruit blijkt dat een band van ondergeschiktheid geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als «bezoldiging voor prestaties of diensten» voor de toepassing van artikel 54, WIB 1992 in aanmerking te komen.
6. Inzake het begrip aanzienlijk gunstigere belastingregeling is het praktisch onmogelijk ter zake een norm vast te leggen, want het gaat er vooral om de gegevens in rechte en in feite voor elk geval afzonderlijk te beoordelen. Voor een algemene omschrijving kan nuttig worden verwezen naar de bepalingen opgenomen onder nummer 54/23, Com.IB 92.
7. Het probleem van de bewijsvoering inzake «normale grenzen» moet in elk geval afzonderlijk aan de hand van de feitelijke gegevens worden opgelost. Het is derhalve niet mogelijk algemene toepassingsregels voor te schrijven.
Vraag nr. 682 van mevrouw Pieters dd. 07.03.2005
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 114, blz. 21890-21893
Beroepskosten - Bezoldigingen voor prestaties of diensten - Landen met "aanzienlijk gunstigere belastingregeling"
VRAAG
Krachtens artikel 54, WIB 1992 kunnen onder andere bezoldigingen voor prestaties of diensten, niet als beroepskosten worden aangemerkt indien zij rechtstreeks of onrechtstreeks worden betaald of toegekend aan een in artikel 227 vermelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij gevestigd zijn, niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of voor zulke inkomsten aldaar aan een «aanzienlijk gunstigere belastingregeling» zijn onderworpen dan die waaraan die inkomsten in België zijn onderworpen, tenzij de belastingplichtige door alle rechtsmiddelen bewijst dat zij verband houden met werkelijke en oprechte verrichtingen en mits zij «de normale» grenzen niet overschrijden.
1.
a) Is dit artikel eveneens integraal en onbetwistbaar volledig van toepassing inzake vennootschapsbelasting ?
b) Zo ja, op grond van welke precieze en uitdrukkelijk wettelijke en/of reglementaire (uitvoerings) bepaling(en) ?
2. Op wie rust de eerste bewijslast en voor welke elementen en op wie rust vervolgens het tegenbewijs zowel in fase van taxatie als in bezwaarfase ?
3. Kan er terzake een «geactualiseerde» lijst van fiscale «vluchtlanden» en/of van «belastingparadijzen» worden verstrekt ?
4.
a) Gaat het hier uitsluitend om «bezoldigingen» in de wettelijke zin van de artikelen 30, 31, 32 en 33, WIB 1992 waarvan sprake in hetzelfde hoofdstuk II van titel II van genoemd fiscaal Wetboek ?
b) Zo neen, waarom zou, gelet op de hiërarchie der rechtsnormen, hieraan eventueel een andere interpretatie moeten worden gegeven ?
5.
a) Hoe definiëren de belastingadministraties het begrip «prestaties» ?
b) Hoe definiëren de belastingadministraties het begrip «diensten» ?
c) Gaat het hier over «bezoldigingen» betaald, toegekend of geboekt enerzijds omwille van prestaties of taken geleverd door loontrekkende arbeiders en anderzijds omwille van diensten of werkzaamheden geleverd door loontrekkende bedienden of hoofdarbeiders in een band van ondergeschiktheid ?
6. Hoe omschrijven of definiëren de administraties het begrip «aanzienlijk gunstiger belastingregeling» ?
7. Wat verstaan de belastingadministraties onder «normale grenzen» ?
8. Kan u afzonderlijk, punt per punt, uw strikte interpretatie meedelen vermits het hier om een uitzonderingsprocedure gaat en uw algemene ziens- en handelwijze in het licht van de wettelijke bepalingen van artikel 54, WIB 1992 en van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 21.03.2006)
1. De door het geachte lid gestelde vraag houdt een bevestigend antwoord in. Uit de bepalingen van de artikelen 54 en 183 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) volgt dat de toepassing van artikel 54, WIB 1992 niet is uitgesloten inzake de vennootschapsbelasting.
2. Ik kan het geachte lid meedelen dat de in haar vraag bedoelde begrip bewijslast wordt uiteengezet in de parlementaire werkzaamheden voorafgaand aan de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen (Parl. St., Kamer, 1991-1992, nr. 444/9, blz. 131).
3. Voor de toepassing van het artikel 54, WIB 1992 kan de lijst met landen, als bedoeld in artikel 73 quater, koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 1992) bijdragen tot het bepalen van een vermoeden dat er een aanzienlijke gunstigere belastingregeling bestaat dan in België.
4. De door het geachte lid gestelde vraag houdt een ontkennend antwoord in. Immers, uit de uitdrukkelijke bepalingen van het artikel 54, WIB 1992 volgt dat het begrip «bezoldiging voor prestaties of diensten» een ruimere betekenis heeft dan het begrip bezoldigingen van personen zoals bedoeld in artikel 30, WIB 1992.
5. Daar de begrippen «prestaties» en «diensten» niet omschreven zijn in het WIB 1992 en het koninklijk besluit/WIB 1992 en daarenboven in de gemeenrechtelijke bepalingen geen omschrijving van de betreffende begrippen voorkomt, moeten deze begrippen in de meest ruime betekenis van het woord worden geïnterpreteerd.
Betreffende punt c) verwijs ik het geachte lid naar het antwoord dat werd gegeven onder punt 4 en naar de voorbeelden van de bezoldigingen voor prestaties of diensten, zoals opgesomd in de parlementaire werkzaamheden voorafgaand aan de wet van 23 februari 1954 ( Parl. St., Kamer, 1953-1954, doc. 9, blz. 3) waaruit blijkt dat een band van ondergeschiktheid geen noodzakelijke voorwaarde vormt om als «bezoldiging voor prestaties of diensten» voor de toepassing van artikel 54, WIB 1992 in aanmerking te komen.
6. Inzake het begrip aanzienlijk gunstigere belastingregeling is het praktisch onmogelijk ter zake een norm vast te leggen, want het gaat er vooral om de gegevens in rechte en in feite voor elk geval afzonderlijk te beoordelen. Voor een algemene omschrijving kan nuttig worden verwezen naar de bepalingen opgenomen onder nummer 54/23, Com.IB 92.
7. Het probleem van de bewijsvoering inzake «normale grenzen» moet in elk geval afzonderlijk aan de hand van de feitelijke gegevens worden opgelost. Het is derhalve niet mogelijk algemene toepassingsregels voor te schrijven.
Bron: FisconetPlus
