Parlementaire vraag nr. 451 van de heer Alain Mathot van 08.07.2011

Parlementaire vraag nr. 451 van de heer Alain Mathot dd. 08.07.2011

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2011-2012, QRVA 53/037 dd. 02.08.2011, blz. 53

Rekenhof - Verslag 2011 - Nieuwe antimisbruikmaatregel

VRAAG

We hebben onlangs een exemplaar ontvangen van het verslag van het Rekenhof van mei 2011 met betrekking tot de uitvoering van de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie grote fiscale fraudedossiers. Daarin wordt er een stand van zaken opgemaakt van de uitvoering van de aanbevelingen: aanbevelingen die reeds zijn uitgevoerd; aanbevelingen die nog in uitvoering zijn; aanbevelingen die tot op heden zonder gevolg zijn gebleven. Volgens mij heeft het Rekenhof zich bijzonder mild getoond in zijn beoordeling van de opvolging van bepaalde aanbevelingen. Zo werd er nog altijd geen werk gemaakt van een actualisering van het Charter van de belastingplichtige. In hun verslag beperken de door staatssecretaris Clerfayt aangestelde deskundigen zich tot een kritische benadering van het verslag van de onderzoekscommissie, veeleer dan dieper in te gaan op de aspecten die in een nieuw Charter van de belastingplichtige aan bod zouden moeten komen. De werkzaamheden met betrekking tot het Charter van de belastingplichtige en de bespreking van de fundamentele kwesties in samenspraak met de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de parketten, de diensten, enz. lijken dus nog verre toekomstmuziek. Mijn vraag betreft specifiek aanbeveling 31, die betrekking heeft op de invoering van een nieuwe antimisbruikmaatregel. U wijst het Rekenhof erop dat u die hervorming niet nodig acht aangezien de Belgische fiscale wetgeving volgens u al specifieke antimisbruikmaatregelen bevat. Zelf hebben we een wetsvoorstel ingediend dat ertoe strekt een nieuw artikel 344 WIB 1992 in te voegen (DOC 53 1111/001). U weet dat het huidige artikel moeilijk toepasbaar is en door de rechtscolleges op een uiteenlopende manier wordt toegepast. U gaf aan dat uw administratie zich over deze aangelegenheid had gebogen en dat er een verslag zou worden overgezonden aan de commissie voor de Financiën en de Begroting. Voor zover ik weet, hebben de volksvertegenwoordigers dat verslag nog steeds niet ontvangen.

1. Als ik uw standpunt lees, veronderstel ik dat u geen voorstander bent van een verduidelijking van dat artikel?

2. Wordt dat standpunt in het verslag van uw administratie bevestigd?

3. Wanneer mogen we dat verslag verwachten?

ANTWOORD

Ter herinnering: het Hof van Cassatie heeft in talloze arresten de legitimiteit van de keuze voor de minst belaste weg bekrachtigd. Het is aan de wetgever om strikt en duidelijk te bepalen binnen welk kader de belastingplichtige keuzes kan maken. Daarom bevat onze wetgeving tal van antimisbruikbepalingen, die specifiek van toepassing zijn op bepaalde verrichtingen. Ik kan u bijvoorbeeld een niet exhaustieve lijst van bepaalde artikelen van het WIB geven: Artikel 26, artikel 32, lid 2, artikel 53 - 10°, artikel 54, artikel 79, artikel 198 - 11°, artikel 203, artikel 205ter, § 4, artikel 207, lid 3, artikel 341, artikel 342, artikel 344, lid 2, artikel 364bis, artikel 402, artikel 441, artikel 442, artikel 442bis, artikel 442ter, artikel 442quater, ... Zoals toegelicht, zorgen deze artikelen voor een strikte, duidelijke en onmiddellijke toepassing van de wet, zonder de belastingplichtige in rechtsonzekerheid te laten terechtkomen. Artikel 344, lid 1, is een algemene antimisbruikbepaling ter bestrijding van alle misbruiken waaraan de wetgever niet heeft gedacht. Deze bepaling, die bijna 20 jaar geleden door mijn voorganger werd ingevoerd, is dus een vangnetbepaling. Ze is algemeen omdat ze uitwerking kan hebben in alle soorten misbruik, maar de toepassingsvoorwaarden van deze regeling moeten restrictief zijn. Zo niet opent de controle-instantie de deur voor misbruikrisico's, wat de belastingplichtige in permanente rechtsonzekerheid dompelt. In een rechtsstaat luidt het wettelijkheidsbeginsel dat alles wat niet uitdrukkelijk is verboden impliciet is toegestaan. Een algemene antimisbruikbepaling mag dus niet worden beschouwd als een passe-partout waarmee de fiscus alles wat ze onrechtmatig vindt kan rechttrekken. Gewoon de intentie hebben om zijn belastingdruk te verlagen, volstaat niet om uit te gaan van een inbreuk, zelfs als de belastingplichtige echt blijk geeft van vindingrijkheid. Voorts zou ik willen reageren op uw inleiding, waarin u stelt dat er niets werd gedaan bij de aanpassing van het Charter van de Belastingplichtige en dat het Rekenhof opvallend mild was in de evaluatie van de voortgang van de uitvoering van de aanbevelingen. Mijn collega, de staatssecretaris voor de Coördinatie van de Strijd tegen de Fiscale en Sociale Fraude, legde u op dinsdag 21 juni 2011 nog de vorderingen van de Una Via-werkgroep voor. Daaruit blijkt dat er binnenkort een voorontwerp van wet zou kunnen worden ingediend om dit beginsel uit te voeren. Ik kan begrijpen dat de inhoud van deze tekst u niet volledig tot tevredenheid stemt, aangezien hij de fraudebestrijding efficiënter maakt, zonder het Charter van de Belastingplichtige in gevaar te brengen. Daarom is het u nog niet geoorloofd te beweren dat er niets vooruitgaat en dat het Rekenhof, een instantie van het parlement, te mild is voor de administratie, terwijl het de uitvoering van de maatregelen niet globaal, maar individueel heeft onderzocht, dit wil zeggen aanbeveling per aanbeveling.