Parlementaire vraag nr. 830 van mevrouw Pieters van 07.06.2005

VRAAG 05/830
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 098, blz. 17756-17762
Opsporingsonderzoeken ingesteld door de AOIF
VRAAG
Door de beëdigde opsporingsagenten van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) worden zowel bij natuurlijke personen als bij vennootschappen ten behoeve van de taxatiediensten van zowel de klassieke belastingdiensten als van de controlecentra al dan niet aangekondigde en/of gerichte opsporingen en onderzoekingen verricht binnen de gemengde beroepslokalen en binnen de particuliere lokalen of woningen.
Van die ingestelde opsporingsacties wordt in principe steeds een verslag, relaas, rapport of een procesverbaal opgemaakt dat naderhand voor polyvalente verificatiedoeleinden aan de bevoegde controlediensten wordt doorgezonden.
1. Beschikt de belastingplichtige ook over een "zwijgrecht" ten aanzien van die lokale en nationale opsporingsbrigades?
2. Welke bevoegde eerstaanwezend inspecteurdiensthoofd of hoger dienstleider van niveau A stelt het schriftelijk verzoek op tot het bekomen van de machtiging van de politierechter waarvan sprake in artikel 319, WIB 1992 en in artikel 63 van het BTW-Wetboek?
3.
a)
Moet of mag de belastingplichtige dit verslag, relaas of opsporingsrapport mede ondertekenen samen met de twee optredende AOIF-opsporingsagenten?
b)
Zo neen, waarom niet en over al welke verhaalmiddelen beschikt hij dienaangaande zowel inzake directe belastingen als inzake BTW?
4. Mag of moet in het kader van een behoorlijk en performant fiscaal bestuur een afschrift of een kopie van dit relaas voortaan meteen spontaan aan de belastingplichtige worden overhandigd of naderhand per gewone post worden toegezonden?
5. Mag dit verslag later nog worden aangepast zowel door de opsporingsagenten als op uitdrukkelijk mondeling of schriftelijk verzoek van de belastingplichtige zelf en mag de belastingplichtige zijn eerdere verklaringen eveneens geheel of gedeeltelijk intrekken? Zo neen, waarom telkens niet?
6. Binnen welke redelijke termijnen moet dit relaas ter plaatse en/of ten kantore schriftelijk worden opgesteld en desgevallend aan de belastingplichtige worden verstrekt?
7. Welke juridische bewijswaarde wordt aan dit al dan niet aangevuld of vervolledigd proces-verbaal of opsporingsverslag uiteindelijk toebedeeld zowel inzake BTW als inzake directe belastingen?
8. Mogen de opsporingsagenten, met passende inachtneming van het beroepsgeheim, ter gelegenheid van die BTW- en belastingonderzoeken meteen ook werknemers, klanten en leveranciers als al dan niet anonieme getuigen verhoren in de zin van de artikelen 325 en 326, WIB 1992?
9. Onder al welke wettelijke en reglementaire belastingen BTW-voorwaarden mogen zij al dan niet tegen onmiddellijke ontvangstmelding eventueel al dan niet reeds afgesloten boeken en boekhoudstukken, kasrollen en computerhard- en software direct "in beslag" nemen bij al dan niet forfaitair belaste belastingplichtigen in de zin van artikel 342, § 1, tweede lid, WIB 1992 en artikel 56, § 1, BTW-Wetboek?
10. Mogen en kunnen de vastbenoemde opsporingsagentenverbonden aan de belastingsector voorzien van hun correct aanstellingsbewijs ook rechtsgeldig optreden inzake BTW en vice versa?
11. Kan u, punt per punt, uw huidige ziens- en handelwijze meedelen, zowel in het licht van de bepalingen van het WIB 1992, het BTW-Wetboek en de beginselen van behoorlijk bestuur als in het kader van een volkomen respect voor alle rechten van de verdediging en voor een rechtmatige bewijsgaring?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 25.10.2005)
Inzake inkomstenbelastingen
Overeenkomstig de artikelen 315, 316 en 319 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) dient elke belastingplichtige hierin begrepen de belastingplichtige belast bij toepassing van forfaitaire grondslagen van aanslag overeenkomstig artikel 342, § 1, tweede lid, WIB 1992, alle boeken en bescheiden die noodzakelijk zijn om het bedrag van zijn belastbare inkomsten te bepalen voor te leggen en te antwoorden op zowel mondelinge als schriftelijke vragen om inlichtingen van de administratie.
De boeken en bescheiden kunnen slechts gecontroleerd worden met toestemming van de belastingplichtige. Indien de belastingplichtige de verplichtingen vervat in de vermelde artikelen 315 en 316 niet nakomt, kan de administratie een aanslag van ambtswege heffen overeenkomstig artikel 351, WIB 1992. Tevens kan een geldboete overeenkomstig artikel 445, WIB 1992, worden opgelegd voor het niet naleven van de hiervoor vermelde verplichtingen.
Artikel 319, WIB 1992, bepaalt geen specifieke voorwaarden omtrent het niveau of de graad van de aanvrager met betrekking tot de machtiging van de politierechter tot toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen.
Nochtans is tijdens de voorbereidende parlementaire werkzaamheden met betrekking tot die bepaling uitdrukkelijk gesteld dat van die mogelijkheid slechts in uitzonderlijke gevallen en met de toestemming van de hiërarchische overheid gebruik zou worden gemaakt (zie nr. 319/11, tweede lid, van de Commentaar op het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 - Com.IB 92). De bedoelde hiërarchische overheid is een ambtenaar met de graad van eerstaanwezend inspecteur diensthoofd (zie 319/13, Com.IB 92).
Normaal worden de inlichtingen aan derden schriftelijk gevraagd. Het horen van derden of getuigenverhoor overeenkomstig artikel 325, WIB 1992, is een procedure die een exceptioneel karakter heeft en waarbij de volgende regels in acht dienen genomen te worden. De belastingplichtige moet overeenkomstig artikel 325, WIB 1992, bij ter post aangetekende brief opgeroepen worden om het getuigenverhoor bij te wonen. Conform artikel 322, tweede lid, WIB 1992, mag dit recht slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere graad dan die van controleur (lees inspecteur). Het proces-verbaal met betrekking tot het getuigenverhoor dient overeenkomstig artikel 326, WIB 1992, ondertekend te worden door de getuigen en de belastingplichtigen. Een eensluidend verklaard afschrift dient binnen de acht dagen na zijn dagtekening betekend te worden aan de belastingplichtige.
Overeenkomstig artikel 322, eerste lid, WIB 1992, kan de administratie uiteraard ook derden horen en van hen inlichtingen inzamelen buiten de procedure van het eigenlijk getuigenverhoor. Verder beletten noch de bepalingen van artikel 322, WIB 1992, noch die van artikel 325, WIB 1992, dat de administratie een verklaring die ten overstaan van haar werd afgelegd door een derde vergezeld van de belastingplichtige, als een gewone inlichting zou beschouwen (Cass., 17 september 1959, Schwarz, Pas. 1960, I, 62).
In artikel 176 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992 (KB/WIB 1992) wordt de bevoegdheid gegeven aan de ambtenaren van de administratie der directe belastingen om overtredingen op te sporen en om processen-verbaal inzake directe belastingen op te stellen. Deze processen-verbaal zijn van bevestiging of visum en van betekening vrijgesteld en zijn niet onderworpen aan enige vormvereisten. Zij dienen door de belastingplichtige niet te worden ondertekend en niet binnen een bepaalde termijn te worden opgesteld. Aangezien de wet niet zegt dat de overeenkomstig artikel 176, KB/WIB 1992, opgestelde processen-verbaal bewijskracht hebben tot het bewijs van het tegendeel, hebben die akten slechts de waarde van gewone inlichtingen onderworpen aan de soevereine beoordeling van de feitenrechter.
Een eerder opgemaakt proces-verbaal kan aan de hand van een aanvullend procesverbaal worden aangevuld of genuanceerd.
Inzake BTW
Overeenkomstig artikel 62, § 1, van het BTW-Wetboek is eenieder gehouden op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan. Genoemde verplichting tot het verschaffen van inlichtingen geldt bijvoorbeeld zowel voor de belastingplichtige als voor de werknemers, klanten, leveranciers en getuigen. In geval van een overtreding is de in artikel 70, § 4, van het BTW-Wetboek bepaalde geldboete van toepassing. Het bedrag van die geldboete wordt vastgesteld in de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 44 van 21 oktober 1993, Rubriek XVI, en bedraagt 2 500 euro per overtreding.
De reglementering voorziet geen specifieke voorwaarden omtrent het niveau of de graad van de aanvrager van de in artikel 63 van het BTW-Wetboek bedoelde machtiging van de politierechter tot toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen aan ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren. Doch intern administratief is evenwel bepaald dat inzake BTW in principe de bevoegde gewestelijke directeur deze machtiging aanvraagt. In hoogdringende gevallen kan evenwel de eerstaanwezend inspecteur of de leidinggevende ambtenaar zich telefonisch tot de gewestelijke directeur of zijn plaatsvervanger wenden. Laatstgenoemde kan, indien nodig, de eerstaanwezend inspecteur of de leidinggevende ambtenaar toelaten om de aanvraag rechtstreeks te richten tot de bevoegde rechter.
Wat betreft de mogelijkheid tot "in beslag nemen" bepaalt artikel 61, § 2, van het BTW-Wetboek dat de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, het recht hebben om de boeken, facturen en andere stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig artikel 61, § 1, tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.
Naar aanleiding van de door de lokale en nationale opsporingsbrigades ingestelde opsporingsacties wordt in beginsel het in artikel 59, § 1, van het BTW-Wetboek bedoelde proces-verbaal opgemaakt. Dit bevat de door de opsporingsagenten gestelde handelingen en alle feiten waarvan zij getuige zijn geweest, inzonderheid, hetgeen ze ontdekt hebben in de hen overgelegde stukken, de verklaringen die zij afgelegd of ingewonnen hebben en, meer algemeen, al wat zij binnen het kader van hun opdracht gezien, gehoord of anders waargenomen hebben. Opdat het procesverbaal geldig zou zijn, moet het ook de naam, de hoedanigheid en de handtekening van de opsteller, in casu een ambtenaar van de FOD Financiën, bevatten, alsook de datum waarop de vaststellingen zijn gedaan en de datum waarop het is opgesteld.
De reglementering voorziet niet in een termijn binnen welke het proces-verbaal moet opgesteld worden. Algemeen wordt aangenomen dat dit binnen een redelijke termijn dient te gebeuren. De concrete invulling van dit begrip is evenwel afhankelijk van de omstandigheden. In ieder geval zal de interpretatie van het begrip "redelijk" hoofdzakelijk bepaald worden in functie van de mogelijkheid tot precisie bij het opstellen en in functie van het vrijwaren van de belangen van de verdediging.
De reglementering voorziet evenmin in een termijn binnen welke het geacteerde aan de belastingplichtige ter kennis dient te worden gebracht, noch in de wijze waarop dit dient te gebeuren. In beginsel gebeurt dit pas op het tijdstip waarop op grond van het procesverbaal een vordering wordt ingesteld en voor de belastingplichtige de administratieve verhaalprocedure ten opzichte van die vordering start. In het kader van het respecteren van de in voorgaand lid bedoelde redelijke termijn kan de betekening ter kennisgeving evenwel eerder gebeuren.
Krachtens artikel 59, § 1, tweede lid, van het BTW-Wetboek levert het procesverbaal op het vlak van de BTW-, bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. De belastingplichtige beschikt over alle middelen van gemeen recht met uitzondering van de eed om het tegendeel te bewijzen. Het geheel of gedeeltelijk intrekken van de door de belastingplichtige eerder gedane verklaringen dient in dit kader te worden begrepen.
De opsporingsagenten kunnen eveneens een eerder opgemaakt procesverbaal aanvullen of nuanceren aan de hand van een aanvullend proces-verbaal. Hetgeen hiervoor uiteengezet is in verband met de vormvoorwaarden, het tijdstip van opstellen, het tijdstip van betekening ter kennisgeving, de bewijswaarde en het leveren van het tegenbewijs, is eveneens van toepassing op de eventuele aanvullende processen-verbaal.
Algemeen
De ambtenaren van de administratie van de Ondernemingsen Inkomensfiscaliteit, dus onder meer de opsporingsagenten, zijn ongeacht hun administratie van oorsprong, gemachtigd, om zonder onderscheid, de bevoegdheden toegekend aan de ambtenaren van de onderscheiden fiscale administraties uit te oefenen (artikel 95 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van de fiscale geschillen, Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999).
De uitoefening van die bevoegdheden toegekend door een fiscale wetgeving is beperkt tot de controle van de belasting die het voorwerp is van die wetgeving.