Parlementaire vraag nr. 1049 van mevrouw Pieters van 05.07.2002

VRAAG 02/1049
Bull. nr. 835, pag. 720-723
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 145, blz. 18386-18388
Inbreng of overdracht van immateriële vaste activa - Medische knowhow
VRAAG
Zowel door ziekenhuisgeneesheren als door huisartsen wordt naar aanleiding van de oprichting van een geneesherenvennootschap de "knowhow" afzonderlijk ingebracht tijdens het eerste boekjaar van die nieuw gestichte vennootschap.
Die persoonlijke "knowhow" van ziekenhuisgeneesheren omvat - met integrale uitsluiting van het patiëntenbestand dat blijkbaar eigendom blijft van het ziekenhuis - meestal de patiëntenfiches met individuele notities, de archieven, de bibliotheek, de medische ervaring, de vaardigheden en kundigheden als geneesheer-specialist, de naambekendheid als chirurg of internist, de waarde van de schoolse en permanente opleiding en zelfstudie, de administratieve organisatie en alle andere mogelijke immateriële bestanddelen.
Het lijdt geen twijfel dat naast de waarde van de ziekenhuiscliënteel aan alle voornoemde immateriële elementen begrepen onder het begrip "knowhow" onbetwistbaar een afzonderlijke economische waarde moet worden toegekend.
Daarenboven verzet sinds 14 september 1991 het artikel 18 van de medische plichtenleer zich immers niet meer tegen de inbreng, de quasi-inbreng of de overdracht van immateriële bestanddelen aan een geneesherenvennootschap.
Terzake rijzen echter wel nog de volgende algemene praktische vragen.
1. Welke formaliteiten dienen er door de inbrengers respectievelijk te worden vervuld opdat die medische "knowhow" rechtsgeldig zou zijn ingebracht en/of overgedragen?
2.
a) Welke officiële instanties en/of organen oefenen wettelijk of reglementair toezicht uit op de correcte waardebepaling of op de juiste prijsbepaling van die "knowhow"?
b) Welke rechtsgeldige criteria of normen, al dan niet van openbare orde, worden hierbij telkens gehanteerd ?
3. Onder welke specifieke rubrieken en rekeningnummers moet die medische "knowhow" in de jaarrekening van de geneesherenvennootschap worden opgenomen en toegelicht?
4.
a) Op grond van welke wettelijke of reglementaire bepalingen mag welk gemiddeld afschrijvingsritme door de geneesherenvennootschap normaliter geldig worden toegepast?
b) Welke bewijsvoering dient hiertoe te worden geleverd?
5. Hoe luiden terzake eventueel de adviezen van de Commissie voor boekhoudkundige normen met betrekking tot de boeking van die inbrengen of overdrachten en met betrekking tot de te boeken afschrijvingen of waardeverminderingen?
6.
a) Welk al dan niet afzonderlijk aanslagstelsel of tarief van de personenbelasting ondergaan de genoten vergoedingen bij de overdragers van die "knowhow"?
b) Op welk tijdstip worden die sommen belastbaar?
7. Kan u uw algemene ziens- en handelwijze meedelen, zowel in het gezamenlijk licht van alle wettelijke en reglementaire bepalingen terzake, als van een behoorlijk en klantvriendelijk regeringsbeleid?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op de vragen 4 en 6 die tot mijn bevoegdheid behoren.
De voorgelegde situatie heeft blijkbaar betrekking op de inbreng van knowhow door zelfstandige ziekenhuisgeneesheren in een professionele vennootschap.
Algemeen mag worden aangenomen dat bij inbreng door een ziekenhuisgeneesheer van zijn beroepswerkzaamheid in een professionele vennootschap normalerwijs geen belangrijke immateriële vaste activa kunnen worden ingebracht, zeker indien het eigenlijke cliënteel eigendom blijft van het ziekenhuis.
Dit leidt logischerwijs tot de conclusie dat de vaak hoge bedragen die in rapporten betreffende inbrengen, quasi-inbrengen of overdrachten voorkomen en slaan op vage en algemene begrippen zoals "knowhow", geen reële economische basis hebben en louter om fiscale redenen zijn ingelast en begroot.
Er dient dan ook te worden nagegaan of de vergoedingen die geneesheren voor dergelijke inbrengen ontvangen niet eerder als bezoldigingen van bedrijfsleiders moeten worden aangemerkt.
Wat de afschrijvingen op "knowhow" betreft wordt er op gewezen dat overeenkomstig artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, afschrijvingen slechts als beroepskosten worden aangemerkt voor zover ze noodzakelijk zijn en samengaan met een waardevermindering die zich tijdens het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan. Voor het overige kan ik het geachte lid eveneens verwijzen naar de administratieve circulaire van 31 december 1993, kenmerk Dir. II/3 Ci.RH 862/ 430.650 (Bulletin der belastingen, nr. 735, blz. 335).