Parlementaire vraag nr. 684 van mevrouw Pieters van 08.03.2005
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 076, blz. 12740-12747
Kadastraal inkomen - Schatting - Procedure - Nieuwbouw
VRAAG
De recente herstructureringen, interne herschikkingen en minireorganisaties binnen de diensten van de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen (AKRED) heeft het er noch voor het particuliere publiek, noch voor de ambtenaren blijkbaar gemakkelijker en doorzichtiger op gemaakt.
Onderhavige vragen hebben dan ook betrekking op de huidige modaliteiten van toekenning en schatting van een nieuw kadastraal inkomen en van de thans bestaande administratieve en gerechtelijke informatie- en verhaalmogelijkheden.
1. Binnen welke termijn en bij welke territoriaal bevoegde fiscale dienst van de directe of indirecte belastingen moet er voortaan een specifieke nieuwbouwaangifte worden ingediend ?
2. Bij welke administratie of sector van de AKRED kan de belastingplichtige terzake van nu af aan afdoende inlichtingen bekomen per brief, via e-mail, via telefoon of tijdens de gewone kantooruren of op georganiseerde zitdagen ?
3.
a) Welke administratieve en/of strafrechtelijke sancties kunnen er worden opgelegd wanneer aan een eventuele aangifteplicht niet tijdig werd voldaan ? In bevestigend geval, op grond van welke wettelijke en/of reglementaire voorschriften zijn die strafmaatregelen van toepassing en wie kan de oplegging ervan organiseren en de gemotiveerde boetes naderhand invorderen ?
b) Aan welke wettelijke en administratieve procedurele voorschriften moet voorafgaandelijk worden voldaan vooraleer die beide mogelijke sancties kunnen worden toegepast en ingevorderd ?
c) Kan of mag het feit van het niet of het laattijdig indienen van een aangifte zowel in administratieve fase als in fase van gerechtelijke betwisting een nefaste invloed uitoefenen op de definitieve bepaling of schatting van het belastbaar KI ? Zo ja, op grond van welke wettige en objectieve beweegredenen ?
4. Door welke bevoegde dienst, kantoor, sector, schatter of expert wordt het KI voor het eerst op een objectieve en onpartijdige wijze bepaald, geschat of geraamd ?
5. Op grond van welke nieuwe wettelijke en/of reglementaire bepalingen (KB's of MB's) werden alle huidige experts en schatters van venale waarden officieel aangesteld, gemachtigd en/of rechtmatig beëdigd om dergelijke taken naar behoren en met ervaring uit te voeren ?
6.
a) Wordt het KI steeds ter plaatse geschat of geraamd op de bouwwerf of gebeurt dit louter en alleen op zicht van een aangifte, dossierstukken, plannen, schetsen, steekkaarten en aan de hand van interne instructies ?
b) Welke daadwerkelijke invloed heeft de eigenlijke kostprijs (21% BTW-inclusief) van de nieuwbouw op de bepaling van het belastbaar KI ?
7. Welke andere normen, criteria, graadmeters, maatstaven, standaarden, richtsnoeren, vergelijkingspunten en normale netto huurwaarden worden daarnaast allemaal officieel gehanteerd ?
8.
a) Welke praktische inbreng, informatie, documentatie en tips kan, mag en moet de nieuwe eigenaar voortaan spontaan toevoegen aan zijn aangifteformulier ?
b) Is de bevoegde fiscale administratie en/of de rechtsgeldig aangestelde expert in het kader van de beginselen van een behoorlijk bestuur verplicht om vooraleer het KI te bepalen al die aangevoerde argumentatie eerst ernstig in overweging te nemen en te toetsen aan het bestaande wettelijk kader ? Zo neen, waarom niet ?
9. Gelden bij de berekening en vooral bij de officiële betekening van het KI de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en/of naar analogie de beschikkingen van artikel 346, WIB 1992?
10. Op welke wijze, bij welke dienst en wanneer kan en mag men er door de belastingplichtige vooraf of naderhand "inzage" worden genomen en "kopiename" gebeuren van alle stukken van het bewuste KI-dossier, de opgemaakte steekkaarten of fiches en van alle gehanteerde maatstaven en toepasselijke administratieve instructies en interne onderrichtingen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur ?
11. Kan in het kader van het respect voor de rechten van de verdediging de belastingplichtige zowel in fase van toekenning of schatting van het KI als in fase van blijvende betwisting een schriftelijke aanvraag indienen om te worden "gehoord" door de bevoegde hogere ambtenaar naar analogie met de bepalingen van artikel 374, derde lid, WIB 1992?
12. Bij welke dienst en binnen welke termijn moet thans een gemotiveerd bezwaar- of verzoekschrift worden ingediend en mag of moet de belastingplichtige alsdan zelf een nieuw KI vooropstellen ?
13.
a) Welke hogere en onpartijdige ambtenaar voert in geval van bezwaar de uiteindelijke bepaling of objectieve schatting van het KI uit en behandelt en onderzoekt het bezwaarschrift ?
b) Bestaat hierbij de reële mogelijkheid tot een sereen en tegensprekelijk debat ? Zo neen, om al welke gegronde redenen niet ?
14.
a) Is er binnen de AKRED in een specifieke geschillendienst voorzien en dient bij blijvende betwistingen het schriftelijk advies van de hogere overheden (gewestelijke directie of centrale diensten) te worden ingewonnen ?
b) Kan belastingplichtige deze geschillendienst en hogere overheden eveneens rechtstreeks contacteren en een afschrift of kopie van die uitgebrachte adviezen bekomen overeenkomstig voornoemde wet van 11 april 1994 ?
15.
a) Kan de aanhoudende discussie ten slotte aanhangig worden gemaakt bij de bevoegde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg ?
b) Zo ja, vanaf wanneer ?
c) Zo neen, waarom niet en in welke gevallen telkens niet ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 25.04.2005)
1. Uit de aanhef van de vraag blijkt dat het geachte lid specifiek refereert aan de toekenning van het kadastraal inkomen aan een nieuwbouw toebehorend aan particulieren. De aangifteplicht voorgeschreven door artikel 473, WIB 1992, blijft onverkort gelden. In uitvoering hiervan dient de ingebruikneming van de nieuw opgerichte onroerende goederen, of de verhuring, zo deze de ingebruikneming voorafgaat, te worden aangegeven binnen de dertig dagen bij de territoriaal bevoegde controle van de administratie van het Kadaster.
2. Zoals voorheen kan de belastingplichtige alle dienstige inlichtingen bekomen in de controle van het Kadaster waaronder het bedoeld onroerend goed ressorteert, op de gewone werkdagen, tijdens de kantooruren, van 9 tot 12 uur. Ik wens te benadrukken dat elk van deze kantoren beschikt over een emailadres, en dat de informatieambtenaar eveneens telefonisch en per e-mail bereikbaar is voor de behandeling van problemen van bijzondere aard. Alle nuttige gegevens en adressen zijn vermeld op de portaalsite minfin.fgov.be.
3.
a) De sancties waarnaar wordt verwezen zijn expliciet opgenomen in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992. Bij gebrek aan aangifte of in het geval van laattijdige aangifte voorziet artikel 354 WIB 1992 in een mogelijke verlenging van de vestiging van de onroerende voorheffing en de administratieve boete met twee jaar. Luidens artikel 445 WIB 1992 kan de door de gewestelijke directeur gemachtigde ambtenaar dergelijke administratieve boete opleggen, die uitsluitend bestaat uit een geldboete van 50 tot 1 250 euro. Voor aangiften te voldoen in het Vlaamse Gewest is uitsluitend de ambtenaar door de Vlaamse regering gemachtigd of de door hem gedelegeerde ambtenaar bevoegd. De administratieve boetes worden ingevorderd door de overheid belast met de inning van de belasting. Strafrechtelijke sancties, gaande van 8 dagen tot 5 jaar gevangenisstraf en geldboetes van 250 tot 12 500 euro, zijn voorzien in de artikelen 449 en 450 WIB 1992, waarvan de toepassing uitsluitend aan de rechtbanken en hoven van het Rijk behoort.
b) Voor de toepassing van de administratieve sanctie dient een inbreuk te worden vastgesteld door een bevoegd ambtenaar van de administratie van het Kadaster in een naar behoren opgesteld procesverbaal, en zij moet ter kennis worden gebracht van de belastingplichtige. Over de toemeting van strafrechtelijke sancties beslist uitsluitend de strafrechter.
c) De laattijdigheid van een aangifte of het gebrek eraan kan uitsluitend aanleiding geven tot de toepassing van de voormelde artikelen uit het WIB 1992. Zij heeft geen consequenties voor de vaststelling van het kadastraal inkomen.
4 en 5. Het koninklijk besluit van 10 oktober 1979 dat de schattingen en herschattingen van het kadastraal inkomen organiseert bepaalt dat de titularis van de territoriaal bevoegde controle van het Kadaster, zijnde op heden de eerstaanwezend inspecteur, de schattingen uitvoert van de uitzonderlijke en industriële gebouwen (kastelen, bioscopen, schouwburgen, enzovoort), van het materieel en de outillage en van de onroerende goederen waarvan het kadastraal inkomen wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 478 van het WIB 1992. De andere schattingen worden uitgevoerd door de landmeter-expert van het Kadaster.
Dit artikel schrijft voor dat, wanneer voor een gebouw geen gepast referentieperceel voorhanden is, het kadastraal inkomen wordt berekend door het tarief van 5,3 % toe te passen op de normale verkoopwaarde van het perceel op het referentietijdstip bepaald in artikel 486, WIB 1992.
De ambtenaren die de opdracht hebben toepassing te maken van de bepalingen van artikel 478, WIB 1992, hebben de eed afgelegd overeenkomstig artikel 47 van het koninklijk besluit van 12 oktober 1937 houdend het statuut van het rijkspersoneel.
6.
a) Luidens de bepalingen van artikel 475, WIB 1992, is de belastingplichtige gehouden alle bescheiden en inlichtingen, dienstig voor de vaststelling van het kadastraal inkomen, aan de administratie over te leggen. Evenzeer speelt hier artikel 327, WIB 1992, dat aan de bestuursdiensten van de belangrijkste overheden, met inbegrip van de Staat zelf, voorschrijft op eerste aanzoek aan de fiscale ambtenaar inzage te verlenen van welke bescheiden ook, welke nodig worden geacht voor de vestiging of de invordering van de door de Staat geheven belasting. Een gelijkluidende bepaling geldt met ingang van 1 januari 1999 voor het Vlaamse Gewest. Plannen, schetsen en dossierstukken bewijzen aldus terdege hun nut bij de vaststelling van het kadastraal inkomen. Daarenboven hebben de personeelsleden van het Kadaster het recht om alleen, of vergezeld van het personeel dat hen bijstaat, de gebouwen te bezoeken ten einde er de noodzakelijke vaststellingen of controles te doen in het kader van de vaststelling van het kadastraal inkomen.
b) De eigenlijke kostprijs van de nieuwbouw is op zich niet dienstig voor de bepaling van het kadastraal inkomen maar vertegenwoordigt een indicatieve factor met betrekking tot de uitgevoerde werken.
7. De vraag naar andere normen, criteria, maatstaven, standaarden, enzovoort vergt een inzicht in de methodiek die door de experten wordt gehanteerd om een onroerend goed te waarderen. Artikel 471 bepaalt dat de netto-huurwaarde als basis dient voor de vaststelling van het kadastraal inkomen, dat per kadastraal perceel dient te worden bepaald, terwijl in uitvoering van artikel 478, WIB 1992, het kadastraal inkomen wordt berekend door het tarief van 5,3%. toe te passen op de normale verkoopwaarde van het perceel op het referentietijdstip bepaald in artikel 486, WIB 1992, wanneer voor een gebouw geen gepast referentieperceel voorhanden is. Er worden op heden geen andere normen aangewend dan zulks voorheen het geval was.
8.
a) De nieuwe particuliere eigenaar van een gebouwd onroerend goed heeft de plicht op het aangifteformulier de datum van ingebruikneming van het bedoeld onroerend goed, of van de verhuring, zo deze de ingebruikneming voorafgaat, te vermelden. De eigenaar kan tevens de exacte huurprijs meedelen en verder elk gewenst gegeven waarvan hij de mededeling nuttig acht.
b) De bevoegde expert neemt alle door de belastingplichtige aangebrachte gegevens in overweging, evenals zijn eigen vaststellingen en zijn kennis van de materie en de wettelijke grondslagen. Deze leiden samen naar de vaststelling van het kadastraal inkomen. De ambtenaar dient zijn taak hierbij op een ernstige en doordachte wijze te volbrengen. Het onderzoek van alle door de belastingplichtige aangebrachte gegevens behoort tot zijn opdracht.
9. Zoals voor elk ambtelijk stuk dat een beslissing inhoudt ten aanzien van de bestemmeling, gelden ook bij de betekening van het kadastraal inkomen de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Een onderscheid dient evenwel te worden gemaakt in de formele en materiële motiveringsplicht die wordt gesteld door de bedoelde wet.
Formeel dient de juridische overweging te worden aangeduid die de beslissing ondersteunt. Ingevolge artikel 471, WIB 1992 heeft mijn administratie in deze een gebonden bevoegdheid, zodat de vermelding van het dienstig artikel van het WIB 1992 aan deze vereiste voldoet. Aan de materiële motiveringsplicht wordt voldaan door de vermelding van de feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en deze draagkrachtig maken. Zij worden, voor ieder geval en belastingplichtige afzonderlijk, op de betekening weergegeven. Ik kan hieraan toevoegen dat de belastingplichtige middels het betekeningsformulier ook nauwkeurig wordt ingelicht op welke wijze bezwaar tegen het kadastraal inkomen kan worden ingediend.
10. De belastingplichtige kan in de territoriaal bevoegde controle van de administratie van het Kadaster inzage en kopie bekomen van de stukken met betrekking tot het onroerend goed waarmee hij een rechtsband heeft overeenkomstig artikel 473, WIB 1992. Het spreekt voor zich dat dit recht tot inzage en kopiename beperkt is tot de goederen waarop hij een van de bedoelde zakelijke rechten geniet, omdat anders de wetgeving op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zou worden geschonden, en dat dit zich enkel uitstrekt tot die gegevens die in verband staan met de vaststelling van het kadastraal inkomen. Deze gegevens en inlichtingen zijn voor de belastingplichtige te allen tijde beschikbaar.
11. Er is geen wettelijke plicht voorzien om de belastingplichtige te horen bij de vaststelling van een kadastraal inkomen, noch is dit opgenomen als beginsel van behoorlijk bestuur. De bezwaarprocedure voorziet in artikel 502, WIB 1992, uitdrukkelijk in onderhandelingen die tussen onderzoekende ambtenaar en bezwaarindiener worden gevoerd. Meer algemeen werd dergelijke verplichting trouwens opgenomen in artikel 31 van de wet van 15 maart 1999. De aandacht van het geachte lid wordt er op gevestigd dat artikel 374, WIB 1992, geen hoorrecht inhoudt door een "hogere" ambtenaar.
12. Overeenkomstig artikel 499, WIB 1992, moet het bezwaar tegen het kadastraal inkomen, behoudens in geval van overmacht, ingediend worden binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van de betekening van het kadastraal inkomen. Het dient bij een ter post aangetekende brief gericht zijn aan de ambtenaar belast met de controle van het Kadaster waar het onroerend goed gelegen is, en moet het inkomen vermelden dat de bezwaarindiener stelt tegenover datgene dat aan zijn onroerend goed is toegekend.
13.
a) Luidens de voorschriften van artikel 501, WIB 1992, moet het bezwaar tegen het kadastraal inkomen worden onderzocht door een ambtenaar van de administratie van het Kadaster met ten minste de graad van controleur of door een personeelslid dat door de gewestelijke directeur van het Kadaster speciaal ermede wordt belast de bezwaren in plaats van de controleur te onderzoeken.
b) In uitvoering van de bepalingen van artikel 502, WIB 1992, dienen tussen de onderzoekende ambtenaar en de bezwaarindiener onderhandelingen te worden gevoerd. Hiertoe wordt de bezwaarindiener schriftelijk uitgenodigd, en erop gewezen dat het hem toebehoort ter gelegenheid van deze onderhandelingen alle ter staving van zijn cijfer nuttige bewijzen voor te leggen. Tijdens de onderhandelingen wordt de bezwaarindiener verzocht de argumenten ter staving van het door hem voorgesteld cijfer naar voren te brengen. Rekening houdende met deze argumentatie zal de onderzoekende ambtenaar uiteindelijk besluiten tot de handhaving of tot de wijziging van het oorspronkelijk vastgestelde kadastraal inkomen, hetgeen desgevallend tot een minnelijk akkoord kan leiden. Een sereen gesprek behoort dus tot de regels van het huis van de administratie van het Kadaster.
14.
a) Er bestaat binnen de schoot van de AKRED geen specifieke geschillendienst.
b) In het antwoord op vraag 13 werd reeds het onderzoek van het bezwaar uiteengezet. De administratieve dossiers die zeer specifieke gevallen betreffen, met name de individuele schatting van een onroerend goed, zijn slechts ondersteunend en vallen niet onder de toepassing van de wet van 11 april 1994 (Cass., 15 mei 1987, Arr. Cass., 1986-87, 1234 en Pas., 1987, I, 1118).
15.
a) De betwisting over het kadastraal inkomen kan het voorwerp uitmaken van een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg, in het kader van de wetten van 15 en 23 maart 1999.
b) Evenwel moet worden benadrukt dat de scheidsrechterlijke procedure, bepaald in artikel 502, WIB 1992, en uitgewerkt in het koninklijk besluit van 10 oktober 1979, nog deel uitmaakt van het krachtens de wet georganiseerd administratief beroep, en aldus ingevolge artikel 1385 undecies van het Gerechtelijk Wetboek dient te worden uitgeput, behoudens in het geval de bezwaarindiener, ingaand op zijn bezwaar, geen enkele beslissing zou hebben bekomen binnen zes maanden na ontvangst van het bezwaarschrift.
Bron: FisconetPlus
