Parlementaire vraag nr. 101/2 van de heer Istasse van 01.10.1999

VRAAG 99/101/2

Vraag nr. 101/2 van de heer Istasse dd. 01.10.1999


Vr. en Antw., Senaat, 2002-2003, nr. 2-69, blz. 3854

Bezoldiging van beheerder van VZW - Bedrijfsleider

VRAAG

Het koninklijk besluit van 20 december 1996, bekrachtigd bij wet van 19 juni 1997, voerde met ingang van het aanslagjaar 1998, ter vervanging van de bezoldiging van de bestuurders van een aandelenvennootschap en van de werkende vennoten van een personenvennootschap, een nieuwe categorie van beroepsinkomsten in: de bezoldigingen van de "bedrijfsleiders", die in artikel 32, eerste lid, van het WIB als volgt worden gedefinieerd:

Bezoldigingen van bedrijfsleiders zijn alle beloningen verleend of toegekend:

1° aan een natuurlijk persoon, wegens de uitoefening van een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies;

2° aan een natuurlijk persoon die in de vennootschap een werkzaamheid of een leidende functie van dagelijks bestuur, van commerciële, technische of financiële aard uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst.

Artikel 32, tweede lid, voegt daaraan toe:

(Tot de bezoldigingen van bedrijfsleiders) behoren inzonderheid :

1° vaste of veranderlijke tantièmes, zitpenningen, emolumenten en alle andere sommen toegekend door vennootschappen, andere dan dividenden of terugbetalingen van eigen kosten van de vennootschap;

2° voordelen, vergoedingen en bezoldigingen die in wezen gelijkaardig zijn aan die vermeld in artikel 31, tweede lid, 2° tot 5°;

3° in afwijking van artikel 7, de huurprijs en de huurvoordelen van een gebouwd onroerend goed verhuurd door de in het eerste lid, 1°, vermelde personen aan de vennootschap waarin zij een opdracht of gelijksoortige functies uitoefenen, voor zover zij meer bedragen dan vijf derden van het kadastraal inkomen gerevaloriseerd met de in artikel 13 vermelde coëfficiënt. Van deze bezoldigingen worden de kosten in verband met het verhuurde onroerend goed niet in aftrek gebracht.

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 19 juni 1997 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 20 december 1996, heeft u verklaard dat de natuurlijke personen die een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of soortgelijke functies uitoefenen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, alleen de bestuurders, zaakvoerders en vereffenaars van de vennootschap zijn, maar ook de organen van andere publiek- of privaatrechtelijke rechtspersonen. Volgens u bleek dat uit het gebruik van de term "bedrijfsleiders", die ruimer is dan de term "vennootschapsleider ".

Deze interpretatie heeft vooral gevolgen voor de toepassing van de bedrijfsvoorheffing en voor de fiches en het samenvattend overzicht die gebruikt moeten worden.

Ondertussen is zowel bij de organisaties als bij de diensten van de directe belastingen veel twijfel ontstaan over de toepassing van artikel 32 en het wettelijke concept van "bedrijfsleider", waarbij de vraag vooral is of de bezoldigde bestuurders en vereffenaars van VZW's daar ook toe behoren.

Uit het frequente gebruik van het woord vennootschap in de tekst van artikel 32 kan men afleiden dat de wetgever het concept bedrijfsleider wil beperken tot de leiders van een vennootschap. De term onderneming wordt in het WIB niet gedefinieerd, maar lijkt vooral te slaan op industriële, handels- en landbouwactiviteiten, in elk geval op economische activiteiten. In tegenstelling tot de vennootschappen houden VZW's zich niet noodzakelijk met economische activiteiten bezig.

De verenigingen wachten al sinds 1997 op een stellingname van de overheid over dit probleem. De onzekerheid blijft onverminderd bestaan.

Als de bezoldigde bestuurders beschouwd moeten worden als bedrijfsleiders, rijst een tweede interpretatieprobleem: geldt de gelijkstelling van huurprijzen met de bezoldiging krachtens artikel 32, tweede lid, 3°, ook voor de bestuurders van een VZW? Als men de wettekst bekijkt, moet het antwoord ontkennend zijn, aangezien het woord "vennootschap" uitdrukkelijk in deze bepaling is opgenomen.

Kan u mij zeggen hoe deze interpretatieproblemen volgens u moeten worden opgelost?

ANTWOORD

De vraag van het geachte lid heeft betrekking op het begrip "bedrijfsleider" in de zin van artikel 32 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) en meer bepaald op de vraag of de bestuurders van een VZW in die bepaling beoogd zijn.

Ik wil er vooreerst aan herinneren dat artikel 32, WIB 1992, gewijzigd is door artikel 2 van de wet van 4 mei 1999 houdende diverse fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van 12 juni 1999). Die wijziging heeft uitwerking vanaf het aanslagjaar 1998.

Enerzijds is het eerste lid van voormeld artikel vervangen door de volgende bepaling:

"Bezoldigingen van bedrijfsleiders zijn alle beloningen verleend of toegekend aan een natuurlijk persoon die:

1° een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent;

2° in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst".

Anderzijds is in het voormelde artikel een derde lid ingevoegd, dat als volgt luidt:

"Het eerste lid is niet van toepassing op natuurlijke personen, die onbezoldigd een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefenen in verenigingen zonder winstoogmerk of andere rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 220, 3°, mits de inkomsten van onroerende goederen die zij uit diezelfde vereniging of rechtspersoon verkrijgen niet voor de in het tweede lid, 3°, bedoelde herkwalificatie tot bezoldiging in aanmerking komen."

In de huidige stand van de wetgeving zijn de opdrachten als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of de gelijksoortige functies waarvan de beloningen krachtens artikel 32, eerste lid, 1°, WIB 1992, als bezoldigingen van bedrijfsleiders worden aangemerkt, alle opdrachten of functies die bij vennootschappen worden uitgeoefend.

Voor de definitie van het begrip "vennootschap" moet er worden verwezen naar artikel 2, § 2, 1°, WIB 1992, dat wil zeggen "enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die, regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard". Deze definitie is noch aan het bestaan van een winstoogmerk, noch aan de onderwerping aan de vennootschapsbelasting verbonden.

Artikel 182, WIB 1992, bepaalt echter dat "voor verenigingen zonder winstoogmerk en andere rechtspersonen die geen winstoogmerk nastreven niet als verrichtingen van winstgevende aard worden aangemerkt:

1° alleenstaande of uitzonderlijke verrichtingen;

2° verrichtingen die bestaan in het beleggen van fondsen ingezameld in het kader van de statutaire opdracht;

3° verrichtingen die bestaan in een bedrijvigheid die slechts bijkomstig op nijverheids-, handels- of landbouw-verrichtingen betrekking heeft of niet volgens nijverheids- of handelsmethoden wordt uitgevoerd."

Uit het voorgaande volgt dat een VZW in principe als een vennootschap in de fiscale zin van het begrip zal worden aangemerkt wanneer zij een onderneming exploiteert of wanneer zij zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard die het kader van artikel 182, WIB 1992 overstijgen, zelfs indien zij aan de rechtspersonenbelasting onderworpen blijft.

Bijgevolg worden in artikel 32, WIB 1992, inzonderheid bedoeld:

a) de natuurlijke personen die een al dan niet bezoldigde opdracht uitoefenen bij VZW's die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen;

b) de natuurlijke personen die een bezoldigde opdracht uitoefenen in VZW's die een onderneming exploiteren of die zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard die het kader van artikel 182, WIB 1992, overstijgen en dit ongeacht de belasting waaraan ze zijn onderworpen;

c) de natuurlijke personen die een onbezoldigde opdracht uitoefenen bij VZW's die, ongeacht de belasting waaraan ze zijn onderworpen, een onderneming exploiteren of zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard die het kader van artikel 182, WIB 1992 overstijgen en die uit diezelfde vereniging inkomsten van onroerende goederen verkrijgen die voor de in artikel 32, tweede lid, 3°, WIB 1992 bedoelde herkwalificatie tot bezoldiging in aanmerking komen.

In die omstandigheden tenslotte, is de huurherkwalificatie als vermeld in artikel 32, tweede lid, 3°, WIB 1992, eveneens van toepassing op bestuurders van een VZW die met bedrijfsleiders worden gelijkgesteld.