Parlementaire vraag nr. 1482 van mevrouw Vanlerberghe van 11.09.1998
VRAAG 98/1482
Vraag nr. 1482 van mevrouw Vanlerberghe dd. 11.09.1998
Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 166, blz. 22310
Verliezen - Voedingsnijverheid - Land- en tuinbouwsector
VRAAG
Vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting die werkzaam zijn in de voedingsnijverheid en in de land- en tuinbouwsector worden dagelijks geconfronteerd met concrete en welomlijnde verliezen en risico's omdat bepaalde groenten, fruit, eet- of voedingswaren en zuivelproducten niet meer verkoopbaar zijn geworden ingevolge bederf of wegens het verstrijken van de versheidsdatum.
Bij gebrek aan verantwoordingsstukken in de zin van de artikelen 49 en 183 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is het voor vennootschappen immers praktisch volstrekt onmogelijk om het bedrag van de geleden verliezen onder controle van de fiscale administratie periodiek te becijferen aan de hand van facturen of ontvangstbewijzen.
In beide sectoren is de waarde van de onverkoopbare producten of het verlies nochtans goed vatbaar voor een redelijke raming op basis van het omzetcijfer (meestal gemiddeld 1 %) zonder dat er sprake is van het inzicht de vennootschapsbelasting te ontduiken.
1.
a) Kunnen die rechtspersonen in gemeen overleg, met de belastingadministratie het fiscaal aftrekbaar bedrag van dit verlies voor meerdere boekjaren voorafgaandelijk bepalen op een redelijk forfaitair bedrag of een ernstig percentage ?
b) Zo neen, op grond van welke wettige motieven is uw weigering in rechte en in feite gesteund?
c) Over welke middelen beschikken die belastingplichtigen dan wel om de werkelijk geleden verliezen fiscaal te rechtvaardigen?
2.
a) Tot welke leidinggevende belastingambtenaren van de controlecentra AIOF (administratie van de Inkomens- en Ondernemingsfiscaliteit) en de
klassieke diensten kunnen de betrokken vennootschappen zich in bevestigend geval wenden om een individueel akkoord te sluiten in de zin
van de artikelen 50 en 183, WIB 1992, wetende dat u voortaan aanneemt dat de informatieplicht behoort tot één van de belangrijkste opdrachten
van de ambtenaren?
b) Welke nuttige vaststellingen of taken kunnen de ambtenaren van de lokale en/of opsporingsdiensten hierbij eveneens verrichten ten behoeve van deze vennootschappen?
3. In welke mate kan voor die scherp omschreven risico's op grond van een eenvormig percentage van het omzetcijfer eventueel op het einde van ieder boekjaar een belastingvrije provisie worden aangelegd in de zin van artikel 48, WIB 1992, en de artikelen 24, 10, en 25 KB/WIB 1992?
4.
a) Mogen of kunnen er voor al die bederfelijke levensmiddelen op fiscaal gebied aanvullende waardeverminderingen op grond van artikel 31, derde lid, KB/jaarrekening (jaarrekeningenbesluit van 8 oktober 1976) als een aftrekbare beroepskost in de zin van de artikelen 24, eerste lid, 49, 61 en 183, WIB 1992 worden aanvaard (zie ook artikel 2, § 7, WIB 1992) ?
b) Zo neen, waarom niet?
ANTWOORD
Het geachte lid beoogt blijkbaar de waardering van de voorraad handelsgoederen van vennootschappen die in de voedingsnijverheid en in de land- en tuinbouwsector werkzaam zijn en in het bijzonder een inventaristekort dat ingevolge een kwantitatieve controle (hoeveelheidscontrole) werd vastgesteld.
Dienaangaande wens ik er op te wijzen dat het geachte lid blijkbaar uit het oog heeft verloren dat vennootschappen zijn onderworpen aan de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en haar uitvoeringsbesluiten en dat zij derhalve de boekhoudkundige bepalingen inzake de waardering van de voorraden (inzonderheid de artikelen 27, § 1, en 31, derde lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen) dienen na te leven.
Wanneer een vennootschap de bepalingen van de boekhoudwetgeving naleeft zal een inventaristekort dat naar aanleiding van de kwantitatieve controle van de voorraad handelsgoederen wordt vastgesteld en dat betrekking heeft op inzonderheid de vernietiging van onverkoopbare, vervallen of bedorven goederen een onmiddellijke impact hebben op de vaststelling van het boekhoudkundige resultaat van het belastbare tijdperk, aangezien hierdoor het bedrijfsresultaat van de desbetreffende vennootschap van dat tijdperk lager zal zijn. De door het geachte lid bedoelde verliezen zijn bijgevolg reeds verwerkt in het boekhoudkundige resultaat (bedrijfsresultaat) van het belastbare tijdperk, zodat het aanvaarden van een forfaitaire raming van verliezen op basis van het omzetcijfer op het fiscale vlak uitgesloten is.
De betrokken vennootschap kan in voorkomend geval evenwel door alle bewijsmiddelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, het bewijs leveren dat het voormelde inventaristekort het gevolg is van de vernietiging van inzonderheid de voormelde onverkoopbare, vervallen of bedorven goederen.
Met betrekking tot de derde vraag moet ik het geachte lid er op wijzen dat voorzieningen niet mogen worden geboekt als waardecorrecties op activabestanddelen. Op het fiscale vlak kunnen op grond van de artikelen 48 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en 24, 10 en 25, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het voormelde wetboek evenmin voorzieningen op voorraden in vrijstelling van belasting worden aangelegd.
Daarentegen mogen op grond van artikel 31, derde lid van het voormelde koninklijk besluit van 8 oktober 1976 aanvullende waardeverminderingen op voorraden worden geboekt om rekening te houden ofwel met de evolutie van hun realisatie- of marktwaarde, ofwel met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten. Dergelijke waardeverminderingen kunnen op het fiscale vlak worden aanvaard indien ze inzonderheid betrekking hebben op beschadigde, verflenste, verouderde of minderwaardige bestanddelen waarvoor het niet mogelijk is rekening te houden met de marktwaarde. Op deze bestanddelen mag een waardevermindering worden aangenomen in de mate dat daardoor de netto-boekwaarde niet daalt beneden de prijs die men voor deze bestanddelen zou ontvangen in geval van massale verkoop.
Wanneer het geachte lid een concreet geval beoogt, ben ik evenwel bereid dat te laten onderzoeken indien mij de naam en het adres van de betrokken vennootschap worden medegedeeld.
Vraag nr. 1482 van mevrouw Vanlerberghe dd. 11.09.1998
Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 166, blz. 22310
Verliezen - Voedingsnijverheid - Land- en tuinbouwsector
VRAAG
Vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting die werkzaam zijn in de voedingsnijverheid en in de land- en tuinbouwsector worden dagelijks geconfronteerd met concrete en welomlijnde verliezen en risico's omdat bepaalde groenten, fruit, eet- of voedingswaren en zuivelproducten niet meer verkoopbaar zijn geworden ingevolge bederf of wegens het verstrijken van de versheidsdatum.
Bij gebrek aan verantwoordingsstukken in de zin van de artikelen 49 en 183 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is het voor vennootschappen immers praktisch volstrekt onmogelijk om het bedrag van de geleden verliezen onder controle van de fiscale administratie periodiek te becijferen aan de hand van facturen of ontvangstbewijzen.
In beide sectoren is de waarde van de onverkoopbare producten of het verlies nochtans goed vatbaar voor een redelijke raming op basis van het omzetcijfer (meestal gemiddeld 1 %) zonder dat er sprake is van het inzicht de vennootschapsbelasting te ontduiken.
1.
a) Kunnen die rechtspersonen in gemeen overleg, met de belastingadministratie het fiscaal aftrekbaar bedrag van dit verlies voor meerdere boekjaren voorafgaandelijk bepalen op een redelijk forfaitair bedrag of een ernstig percentage ?
b) Zo neen, op grond van welke wettige motieven is uw weigering in rechte en in feite gesteund?
c) Over welke middelen beschikken die belastingplichtigen dan wel om de werkelijk geleden verliezen fiscaal te rechtvaardigen?
2.
a) Tot welke leidinggevende belastingambtenaren van de controlecentra AIOF (administratie van de Inkomens- en Ondernemingsfiscaliteit) en de
klassieke diensten kunnen de betrokken vennootschappen zich in bevestigend geval wenden om een individueel akkoord te sluiten in de zin
van de artikelen 50 en 183, WIB 1992, wetende dat u voortaan aanneemt dat de informatieplicht behoort tot één van de belangrijkste opdrachten
van de ambtenaren?
b) Welke nuttige vaststellingen of taken kunnen de ambtenaren van de lokale en/of opsporingsdiensten hierbij eveneens verrichten ten behoeve van deze vennootschappen?
3. In welke mate kan voor die scherp omschreven risico's op grond van een eenvormig percentage van het omzetcijfer eventueel op het einde van ieder boekjaar een belastingvrije provisie worden aangelegd in de zin van artikel 48, WIB 1992, en de artikelen 24, 10, en 25 KB/WIB 1992?
4.
a) Mogen of kunnen er voor al die bederfelijke levensmiddelen op fiscaal gebied aanvullende waardeverminderingen op grond van artikel 31, derde lid, KB/jaarrekening (jaarrekeningenbesluit van 8 oktober 1976) als een aftrekbare beroepskost in de zin van de artikelen 24, eerste lid, 49, 61 en 183, WIB 1992 worden aanvaard (zie ook artikel 2, § 7, WIB 1992) ?
b) Zo neen, waarom niet?
ANTWOORD
Het geachte lid beoogt blijkbaar de waardering van de voorraad handelsgoederen van vennootschappen die in de voedingsnijverheid en in de land- en tuinbouwsector werkzaam zijn en in het bijzonder een inventaristekort dat ingevolge een kwantitatieve controle (hoeveelheidscontrole) werd vastgesteld.
Dienaangaande wens ik er op te wijzen dat het geachte lid blijkbaar uit het oog heeft verloren dat vennootschappen zijn onderworpen aan de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en haar uitvoeringsbesluiten en dat zij derhalve de boekhoudkundige bepalingen inzake de waardering van de voorraden (inzonderheid de artikelen 27, § 1, en 31, derde lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen) dienen na te leven.
Wanneer een vennootschap de bepalingen van de boekhoudwetgeving naleeft zal een inventaristekort dat naar aanleiding van de kwantitatieve controle van de voorraad handelsgoederen wordt vastgesteld en dat betrekking heeft op inzonderheid de vernietiging van onverkoopbare, vervallen of bedorven goederen een onmiddellijke impact hebben op de vaststelling van het boekhoudkundige resultaat van het belastbare tijdperk, aangezien hierdoor het bedrijfsresultaat van de desbetreffende vennootschap van dat tijdperk lager zal zijn. De door het geachte lid bedoelde verliezen zijn bijgevolg reeds verwerkt in het boekhoudkundige resultaat (bedrijfsresultaat) van het belastbare tijdperk, zodat het aanvaarden van een forfaitaire raming van verliezen op basis van het omzetcijfer op het fiscale vlak uitgesloten is.
De betrokken vennootschap kan in voorkomend geval evenwel door alle bewijsmiddelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, het bewijs leveren dat het voormelde inventaristekort het gevolg is van de vernietiging van inzonderheid de voormelde onverkoopbare, vervallen of bedorven goederen.
Met betrekking tot de derde vraag moet ik het geachte lid er op wijzen dat voorzieningen niet mogen worden geboekt als waardecorrecties op activabestanddelen. Op het fiscale vlak kunnen op grond van de artikelen 48 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 en 24, 10 en 25, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het voormelde wetboek evenmin voorzieningen op voorraden in vrijstelling van belasting worden aangelegd.
Daarentegen mogen op grond van artikel 31, derde lid van het voormelde koninklijk besluit van 8 oktober 1976 aanvullende waardeverminderingen op voorraden worden geboekt om rekening te houden ofwel met de evolutie van hun realisatie- of marktwaarde, ofwel met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten. Dergelijke waardeverminderingen kunnen op het fiscale vlak worden aanvaard indien ze inzonderheid betrekking hebben op beschadigde, verflenste, verouderde of minderwaardige bestanddelen waarvoor het niet mogelijk is rekening te houden met de marktwaarde. Op deze bestanddelen mag een waardevermindering worden aangenomen in de mate dat daardoor de netto-boekwaarde niet daalt beneden de prijs die men voor deze bestanddelen zou ontvangen in geval van massale verkoop.
Wanneer het geachte lid een concreet geval beoogt, ben ik evenwel bereid dat te laten onderzoeken indien mij de naam en het adres van de betrokken vennootschap worden medegedeeld.
Bron: FisconetPlus
