Parlementaire vraag nr. 54 van de heer de Clippele van 21.04.1992
VRAAG 92/054
Vraag nr. 54 van de heer de Clippele dd. 21.04.1992
Bull. nr. 721, pag. 3084
Beroepskosten - Parlementsleden
Bij een aantal parlementsleden werd voor het aanslagjaar 1988 een rechtzettingsprocedure uitgevoerd, die betrekking had op de afwijzing van de toepassing van de forfaitaire bedrijfslasten overeenkomstig paragraaf 51/37 van de Com.I.B. (niet-gewijzigde bepaling). De administratie houdt de thesis aan dat het forfaitair bedrag een overlapping vormt met bedrijfslasten die door de nodige bewijsstukken in het raam van een andere beroepsactiviteit die tegelijkertijd wordt uitgeoefend, worden aangetoond.
De parlementsleden die een klacht ingediend hebben, zijn gerechtigd aan te tonen dat het bijzondere forfaitair bedrag werkelijke beroepsuitgaven dekt, die niets te maken hebben met de bedrijfslasten aangegeven in het raam van een niet-parlementaire beroepsactiviteit. Het is bijzonder moeilijk om die uitgaven met bewijsstukken te staven, omdat de belastingplichtigen gedurende dat jaar (kalenderjaar 1987) dergelijke documenten niet hebben bewaard, vermits het bijzondere forfaitaire bedrag hen daarvan vrijstelde. toen hun dossier werd onderzocht (1990), was het te laat om dergelijke documenten nog te verkrijgen. Die belastingplichtigen komen zodoende in een toestand terecht die ingaat tegen het door de rechtspraak erkende beginsel van "goed beheer".
Wat is uw standpunt ter zake?
ANTWOORD
Het geacht lid beoogt waarschijnlijk een parlementslid dat naast zijn mandaat van volksvertegenwoordiger of senator tevens een zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefent (bijvoorbeeld een vrij beroep), waarvoor hij de aftrek van zijn werkelijke kosten vraagt.
Dit parlementslid kan tegelijkertijd aanspraak maken op de volgende aftrekken :
Ik vestig er evenwel de aandacht op dat indien de belastingplichtige twee of meer beroepen uitoefent waarvoor de beroepskosten respectievelijk op het werkelijke bedrag en op het forfaitaire bedrag worden bepaald en sommige kosten gelijktijdige op de uitoefening van twee of meer beroepen slaan, men het bedrag ervan derwijze moet omdelen, dat in de werkelijke kosten, afgetrokken van de inkomsten van één categorie, geen uitgaven worden opgenomen die worden geacht begrepen te zijn in de forfaitaire beroepskosten van een andere categorie.
Deze richtlijnen zijn opgenomen in nr. 51/44 van de voormelde commentaar en zijn van toepassing op alle belastingplichtingen. Bij mijn weten geven ze geen aanleiding tot bijzondere moeilijkheden. Ik ben evenwel bereid een onderzoek te doen instellen voor geschillen die mij zouden ter kennis worden gebracht.
Vraag nr. 54 van de heer de Clippele dd. 21.04.1992
Bull. nr. 721, pag. 3084
Beroepskosten - Parlementsleden
Bij een aantal parlementsleden werd voor het aanslagjaar 1988 een rechtzettingsprocedure uitgevoerd, die betrekking had op de afwijzing van de toepassing van de forfaitaire bedrijfslasten overeenkomstig paragraaf 51/37 van de Com.I.B. (niet-gewijzigde bepaling). De administratie houdt de thesis aan dat het forfaitair bedrag een overlapping vormt met bedrijfslasten die door de nodige bewijsstukken in het raam van een andere beroepsactiviteit die tegelijkertijd wordt uitgeoefend, worden aangetoond.
De parlementsleden die een klacht ingediend hebben, zijn gerechtigd aan te tonen dat het bijzondere forfaitair bedrag werkelijke beroepsuitgaven dekt, die niets te maken hebben met de bedrijfslasten aangegeven in het raam van een niet-parlementaire beroepsactiviteit. Het is bijzonder moeilijk om die uitgaven met bewijsstukken te staven, omdat de belastingplichtigen gedurende dat jaar (kalenderjaar 1987) dergelijke documenten niet hebben bewaard, vermits het bijzondere forfaitaire bedrag hen daarvan vrijstelde. toen hun dossier werd onderzocht (1990), was het te laat om dergelijke documenten nog te verkrijgen. Die belastingplichtigen komen zodoende in een toestand terecht die ingaat tegen het door de rechtspraak erkende beginsel van "goed beheer".
Wat is uw standpunt ter zake?
ANTWOORD
Het geacht lid beoogt waarschijnlijk een parlementslid dat naast zijn mandaat van volksvertegenwoordiger of senator tevens een zelfstandige beroepswerkzaamheid uitoefent (bijvoorbeeld een vrij beroep), waarvoor hij de aftrek van zijn werkelijke kosten vraagt.
Dit parlementslid kan tegelijkertijd aanspraak maken op de volgende aftrekken :
| a) | in verband met zijn parlementaire vergoeding (naast de aftrek van de sociale inhoudingen die erop betrekking hebben): een bijzonder forfait voor beroepskosten van 50 % bedoeld in nr. 51/37 van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen; |
| b) | in verband met zijn andere beroepsinkomsten : de erop betrekking hebbende kosten die overeenkomstig artikel 44 van het voormelde wetboek behoorlijk verantwoord zijn. |
Deze richtlijnen zijn opgenomen in nr. 51/44 van de voormelde commentaar en zijn van toepassing op alle belastingplichtingen. Bij mijn weten geven ze geen aanleiding tot bijzondere moeilijkheden. Ik ben evenwel bereid een onderzoek te doen instellen voor geschillen die mij zouden ter kennis worden gebracht.
Bron: FisconetPlus
